Art. 101 Adw
Wettekst
Artikel 10:1
1. Degene die goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenbrengt in strijd met de artikelen 38 en 39 van het Communautair douanewetboek of goederen in andere delen van het douanegebied van de Gemeenschap binnenbrengt in strijd met artikel 177 van het Communautair douanewetboek, dan wel binnengebrachte goederen in strijd met de artikelen 40 en 41 van het Communautair douanewetboek niet bij de inspecteur aanbrengt of van de overeenkomstig artikel 40 van het Communautair douanewetboek aangebrachte goederen in strijd met de artikelen 43 en 44 van het Communautair douanewetboek geen summiere aangifte doet, of zonder toestemming van de inspecteur goederen wegvoert in strijd met het bepaalde in artikel 47 van het Communautair douanewetboek, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie, of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de rechten bij invoer die ter zake van de goederen zijn verschuldigd.
2. Degene die een der in het eerste lid omschreven feiten begaat met het oogmerk de rechten bij invoer die ter zake van de goederen zijn verschuldigd, te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van die rechten.
3. Degene die uit zee of door de lucht goederen aanvoert ten aanzien waarvan het in artikel 2:2 genoemde tegenbewijs niet wordt geleverd, wordt geacht die goederen uit zee, onderscheidenlijk door de lucht, binnen het douanegebied van de Gemeenschap te hebben gebracht.
4. Degene die uit hoofde van artikel 3 van verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (verordening) verplicht is tot het doen van aangifte en deze aangifte niet, onvolledig of onjuist doet, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.
5. Degene die een der in het vierde lid omschreven feiten opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
6. Met betrekking tot de in het vierde en vijfde lid strafbaar gestelde feiten is artikel 10:15, derde lid, onder e , niet van toepassing.
