Regels voor toepassing Wet brutering overhevelingstoeslag lonen
Artikel 1
Voor een goede toepassing van artikel 6, derde lid, van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen wordt:
het ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 9, tiende lid, onderdeel a, b onderscheidenlijk c, van de Algemene Ouderdomswet vermenigvuldigd met 0,829934, 0,855633 onderscheidenlijk 0,856203;
de toeslag, bedoeld in artikel 9, negende lid, van de Algemene Ouderdomswet vastgesteld met inachtneming van de desbetreffende in onderdeel a genoemde vermenigvuldigingsfactor;
de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29, zesde lid, onderdeel a, b, c onderscheidenlijk d, van de Algemene Ouderdomswet vermenigvuldigd met 1,043508, 1,043528, 1,043738 onderscheidenlijk 1,043508.
Artikel 2
1. Voor een goede toepassing van artikel 6, derde lid, van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen wordt: a. de uitkering, bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid , en bedoeld in artikel 29 van de Algemene nabestaandenwet vermenigvuldigd met 0,696922; b. de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 31, eerste en derde lid, van de Algemene nabestaandenwet telkenmale vermenigvuldigd met 0,794319.
2. In afwijking van het eerste lid worden: a. indien recht bestaat zowel op de uitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid , als bedoeld in artikel 25 van de Algemene nabestaandenwet , beide uitkeringen vermenigvuldigd met 0,726440; b. indien recht bestaat zowel op de uitkering, bedoeld in artikel 17, tweede lid , als bedoeld in artikel 25 van de Algemene nabestaandenwet , beide uitkeringen vermenigvuldigd met 0,726440; c. indien recht bestaat op zowel de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 31, eerste lid, als bedoeld in het tweede lid van de Algemene nabestaandenwet , beide uitkeringen vermenigvuldigd met 0,794249.
Artikel 3
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
