Art. 94 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 9.4 — Wel of geen aanslag
1. Een aanslag wordt vastgesteld indien: a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskorting zijn vastgesteld (voorheffingssaldo), met meer dan € 203 te boven gaat; b. voor of in de loop van het kalenderjaar een voorlopige teruggaaf is vastgesteld of c. de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan.
2. In andere gevallen wordt geen aanslag vastgesteld en worden voorheffingen niet verrekend.
3. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing: a. indien de belastingplichtige in het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar bereikt en een verzamelinkomen heeft dat uitsluitend bestaat uit een uitkering volgens de Algemene Ouderdomswet ; b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter is als bedoeld in artikel 5a van de Wet op de loonbelasting 1964 , dan wel lid is van een buitenlands gezelschap in de zin van artikel 5b van die wet , en zijn verzamelinkomen uitsluitend bestaat uit gage, bedoeld in artikel 35 of 35g van die wet .
4. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een voorlopige teruggaaf uitsluitend met het oog op de heffingskorting is vastgesteld, tenzij de verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is genoten. In het laatste geval behoeft de belastingplichtige geen aangifte te doen indien de onjuiste verhoging blijkt bij de aangifte van de partner. Voor dat geval wordt het verzoek om voorlopige teruggaaf als aangifte beschouwd.
5. In het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt, indien het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 12 te boven gaat, de aanslag vastgesteld op nihil. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op een of meer heffingskortingen zijn vastgesteld, niet verrekend.
6. Indien uitsluitend met het oog op heffingskortingen een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven.
7. Indien artikel 9.1, tweede lid, toepassing vindt, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen.
