Art. 821 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 8.21 — Toetrederskorting
1. De toetrederskorting geldt voor de belastingplichtige die als gevolg van het gaan verrichten van arbeid in het kalenderjaar of het voorafgaande kalenderjaar, niet zijnde gesubsidieerde arbeid, gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden: a. is opgehouden met het genieten van een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Wet inkomensvoorziening kunstenaars of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten ; b. is opgehouden met het verrichten van arbeid als bedoeld in de artikelen 4 of 5 van de Wet inschakeling werkzoekenden ; c. is opgehouden met het verrichten van arbeid als bedoeld in de artikelen 2 of 7 van de Wet sociale werkvoorziening ; d. is opgehouden met het verrichten van arbeid, waarvoor de werkgever krachtens artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies een vergoeding ontving als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen , en e. hij met die arbeid in het kalenderjaar ten minste € 7692 aan winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden geniet of ter zake van die arbeid in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek. De eerste volzin geldt slechts indien de daarin bedoelde uitkeringen of de daarin bedoelde arbeid tezamen in een periode van achttien maanden gedurende twaalf maanden of meer hebben plaatsgevonden en deze periode direct voorafgaat aan het moment waarop de belastingplichtige is opgehouden bedoelde uitkeringen te genieten of bedoelde arbeid te verrichten en hij in de voorafgaande kalenderjaren nog niet een toetrederskorting heeft genoten. Voor de toepassing van de aanhef van de eerste volzin wordt onder gesubsidieerde arbeid verstaan arbeid als bedoeld in de onderdelen b, c en d van die volzin.
2. De toetrederskorting geldt ook voor de belastingplichtige die in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten blijft genieten, maar voor het overige voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid.
3. De toetrederskorting bestaat uit drie tranches, waarvan de eerste tranche in het kalenderjaar in aanmerking wordt genomen, de tweede tranche in het volgende kalenderjaar en de derde tranche in het tweede volgende kalenderjaar en bedraagt: Totale toetrederskorting tranche van het kalenderjaar tranche van het volgende kalenderjaar tranche van het tweede volgende kalenderjaar € 2 269 € 1 361 € 454 € 454 De tranche van een volgend kalenderjaar wordt in dat jaar niet meer in aanmerking genomen: a. in de situatie van een toetrederskorting op de voet van het eerste lid, indien de belastingplichtige in dat jaar of het voorafgaande jaar: 1°. weer een uitkering geniet als bedoeld in de eerste volzin, onderdeel a, van dat lid; 2°. arbeid verricht als bedoeld in de eerste volzin, onderdelen b tot en met d, van dat lid; 3°. niet meer voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in de eerste volzin, onderdeel e, van dat lid, of 4°. recht heeft op of een uitkering geniet als bedoeld in de hoofdstukken IIA of IIB van de Werkloosheidswet; b. in de situatie van een toetrederskorting op de voet van het tweede lid, indien de belastingplichtige in dat jaar of het voorafgaande jaar: 1°. een uitkering geniet ingevolge de Algemene bijstandswet , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers , de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars ; 2°. arbeid verricht als bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, onderdelen b tot en met d; 3°. niet meer voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel e, of 4°. recht heeft op of een uitkering geniet als bedoeld in de hoofdstukken IIA of IIB van de Werkloosheidswet .
4. De belastingplichtige aan wie op grond van artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden , of op grond van het krachtens artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies vastgestelde artikel 4, tweede lid, van het Besluit in- en doorstroombanen , zoals deze artikelleden luidden op 31 december 2001, door de gemeente een eenmalige subsidie is of kan worden toegekend, heeft geen recht op de toetrederskorting.
5. Voor de toepassing van dit artikel kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
