Art. 61 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 6.1 — Persoonsgebonden aftrek
1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van: a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en b. het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen.
2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de: a. uitgaven voor onderhoudsverplichtingen ( afdeling 6.2 ); b. verliezen op beleggingen in durfkapitaal ( afdeling 6.3 ); c. uitgaven voor levensonderhoud van kinderen ( afdeling 6.4 ); d. buitengewone uitgaven ( afdeling 6.5 ); e. weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen ( afdeling 6.6 ); f. scholingsuitgaven ( afdeling 6.7 ); g. uitgaven voor monumentenpanden ( afdeling 6.8 ); h. aftrekbare giften ( afdeling 6.9 ).
3. Uitgaven als bedoeld in het tweede lid, onderdelen c, d en e, worden in aanmerking genomen voorzover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven.
Jurisprudentie
Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 61.
