Art. 56 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 5.6 — Ouderentoeslag
1. Het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, wordt verhoogd met de ouderentoeslag indien: a. de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 240 166. Bij een inkomen uit werk en woning vóór inachtneming van de uitgaven voor kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek van: meer dan maar niet meer dan bedraagt de ouderentoeslag 50% van de saldogrondslag, doch ten hoogste – € 12 276 € 24 020 € 12 276 € 17 079 € 12 010 € 17 079 –- nihil
2. Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt de ouderentoeslag van de belastingplichtige verhoogd met de ouderentoeslag waarop zijn partner op grond van het eerste lid recht heeft en wordt de ouderentoeslag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen.
Jurisprudentie
Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 56.
