Art. 352 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 3.52 — Wijziging willekeurige afschrijving, investeringsaftrek en scholingsaftrek
1. Bij ministeriële regeling: a. kan de willekeurige afschrijving in het algemeen of voor bepaalde aangewezen bedrijfsmiddelen of bepaalde groepen van aangewezen bedrijfsmiddelen buiten toepassing worden gesteld, of per kalenderjaar worden beperkt, en wel: 1°. indien het milieu-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Economische Zaken; 2°. indien het arbo-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; 3°. indien het T&O-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en 4°. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken of met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; b. kunnen de in artikel 3.41, tweede lid, artikel 3.42, derde lid, artikel 3.42a, derde lid, vermelde percentages voor de investeringsaftrek en de in artikel 3.48, tweede tot en met vijfde lid, en tiende lid, vermelde percentages voor de scholingsaftrek worden vervangen door andere; c. kunnen aan de in artikel 3.45 vermelde uitgesloten bedrijfsmiddelen voor de investeringsaftrek, bedrijfsmiddelen worden toegevoegd.
2. Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden.
3. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de kamers der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, worden onverwijld bij ministeriële regeling, met ingang van het tijdstip waarop die regeling in werking treedt, de krachtens het eerste lid aangebrachte wijzigingen ongedaan gemaakt.
4. Het tweede lid is niet van toepassing op een beperking van de willekeurige afschrijving die plaatsvindt bij de aanwijzing van bedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31, artikel 3.32, artikel 3.33 of artikel 3.34.
5. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op een op grond van het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, vastgestelde ministeriële regeling.
