Art. 348 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 3.48 — Scholingsaftrek
1. Indien in een kalenderjaar kosten en lasten van scholing van in de onderneming werkzame personen bij een ondernemer in aftrek komen bij het bepalen van de winst over dat jaar, en de ondernemer hiervoor bij de aangifte kiest, wordt een volgens het tweede tot en met zesde lid bepaald bedrag aanvullend ten laste gebracht van de winst over dat jaar (scholingsaftrek).
2. De scholingsaftrek bedraagt 20% van de in het eerste lid bedoelde kosten en lasten.
3. Indien het totaal van de in het eerste lid bedoelde kosten en lasten niet uitkomt boven € 124 000 wordt de scholingsaftrek – tot en met een bedrag van € 30 000 aan kosten en lasten – verhoogd met 20%.
4. De scholingsaftrek wordt voorts verhoogd met 40% van de kosten en lasten die betrekking hebben op scholing van in de onderneming werkzame personen van 40 jaar en ouder.
5. De scholingsaftrek wordt voorts verhoogd met 20% van de kosten en lasten die betrekking hebben op bij ministeriële regeling aangewezen vormen van scholing die zijn gericht op het op startkwalificatieniveau brengen van in de onderneming werkzame personen.
6. Als bedrag aan scholingsaftrek wordt ten hoogste in aanmerking genomen: € 2 390 000.
7. Indien de onderneming van de ondernemer deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij als ondernemer winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: a. worden voor de toepassing van het derde lid de in dat lid genoemde grensbedragen aan kosten en lasten vermenigvuldigd met het bedrag aan in het eerste lid bedoelde kosten en lasten van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijk bedrag aan zodanige kosten en lasten van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. b. wordt voor de toepassing van het zesde lid het in dat lid genoemde maximumbedrag van de aftrek vermenigvuldigd met het bedrag aan in het eerste lid bedoelde kosten en lasten van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijk bedrag aan zodanige kosten en lasten van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband.
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder scholing verstaan: cursussen alsmede opleidingen of studies voor een beroep.
9. Onder kosten en lasten van scholing van in de onderneming werkzame personen wordt mede verstaan bijdragen aan fondsen die zich geheel of nagenoeg geheel bezighouden met de financiering van scholing en aanverwante activiteiten voorzover die bijdragen zijn verschuldigd op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst en door het fonds worden benut voor scholing.
10. Indien met betrekking tot de kosten en lasten van scholing van een persoon de verhogingen van het derde, vierde en vijfde lid van toepassing zijn, wordt de in het vijfde lid bedoelde verhoging zodanig verlaagd dat de totale verhoging 70 percent bedraagt.
