Art. 320 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 3.20 — Bijtelling privé-gebruik auto
1. Indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking staat, wordt op jaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te staan tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
2. Indien het gebruik voor privé-doeleinden van een bestelauto wordt beperkt door de aard of de inrichting ervan, wordt in afwijking in zoverre van het eerste lid, eerste volzin, op jaarbasis ten minste 10% van de waarde van de bestelauto als onttrekking in aanmerking genomen. Voor de toepassing van dit lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
3. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt de onttrekking gesteld op nihil.
4. Indien het aantal op jaarbasis voor privé-doeleinden gereden kilometers blijkt uit een rittenregistratie, wordt de onttrekking: a. indien dit aantal meer is dan 500 maar niet meer dan 3000, gesteld op ten minste 10% van de waarde van de auto; b. indien dit aantal meer is dan 3000 maar niet meer dan 6000, gesteld op ten minste 15% van de waarde van de auto; c. indien dit aantal meer is dan 6000 maar niet meer dan 8000, gesteld op ten minste 20% van de waarde van de auto.
5. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder auto verstaan een personenauto of bestelauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 , met uitzondering van de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
7. De waarde is: a. van een personenauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen; b. van een bestelauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting; c. van een personenauto of bestelauto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen: de waarde in het economische verkeer.
8. De onttrekking wordt in aanmerking genomen voorzover zij uitgaat boven de bedragen die de belastingplichtige ter zake van de kosten en lasten van de auto voor eigen rekening heeft genomen.
9. Voor de toepassing van dit artikel wordt regelmatig woon–werkverkeer geacht voor privé-doeleinden plaats te vinden: a. indien de reisafstand niet meer beloopt dan 10 kilometer of b. voorzover de reisafstand meer beloopt dan 30 kilometer. Van het op grond van de vorige volzin als voor privé-doeleinden aangemerkte deel van het regelmatige woon–werkverkeer wordt eenderde deel maar niet meer dan 5500 kilometer in aanmerking genomen voor de toepassing van het vierde lid.
