Art. 319 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 3.19 — Bijtelling privé-gebruik woning
1. Bij het bepalen van de winst met betrekking tot een woning die de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden, anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, wordt de waarde van de onttrekking gesteld op het bedrag in het tweede lid.
2. De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van: meer dan maar niet meer dan op jaarbasis – € 12 500 1,10% van deze waarde, maar niet minder dan € 136 € 12 500 € 25 000 1,40% van deze waarde € 25 000 € 50 000 1,55% van deze waarde € 50 000 € 75 000 1,70% van deze waarde € 75 000 –- 1,95% van deze waarde, maar ten hoogste € 19 450
3. De woningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken , wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan die woning.
4. Indien met betrekking tot een woning het derde lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de woningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 19, 20, tweede lid, en 22, derde lid, van die wet en van het derde lid, tweede volzin.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede verstaan een duurzaam aan een plaats gebonden schip.
Jurisprudentie
Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 319.
