Art. 3118 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 3.118 — Vrijstelling kapitaalverzekering eigen woning
1. Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de uitkering niet meer bedraagt dan € 129 500 indien: a. de uitkering heeft gediend als aflossing van schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning ; b. ter zake van de verzekering ten minste 20 jaar, of, indien de verzekering tot uitkering komt door eerder overlijden, tot het overlijden, jaarlijks premies zijn voldaan en c. de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste. In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 29 400, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan.
2. De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde voorwaarden gelden niet indien: a. de verzekeringnemer, zijn echtgenoot of degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert geen eigen woning meer ter beschikking staat en ter zake daarvan de verzekering tot uitkering is gekomen of wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen of b. de verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen door het ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn als bedoeld in artikel 3.116, vierde lid.
3. Het bedrag genoemd in het eerste lid, eerste volzin, wordt verminderd met het bedrag aan uitkering uit een kapitaalverzekering dat eerder ten aanzien van de belastingplichtige voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking is genomen.
4. Indien op het tijdstip van de uitkering het nog niet afgeloste bedrag van de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning lager is dan het op grond van het eerste en het derde lid bepaalde bedrag, wordt het in het eerste lid, in verbinding met het derde lid, bepaalde bedrag vervangen door het bedrag van de schulden.
5. Indien de belastingplichtige een levensverzekering heeft die ten aanzien van hem tot enig moment heeft voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning en ter zake van die verzekering binnen drie jaren na dat moment wederom wordt voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van het eerste lid op deze verzekering. De rente begrepen in de in de eerste volzin bedoelde verhoging, komt in mindering op het overschot, bedoeld in artikel 3.116, zevende lid.
6. Indien de kapitaalverzekering eigen woning tot uitkering komt door het overlijden van de partner, wordt het in het eerste lid, eerste volzin, genoemde bedrag van € 129 500 verhoogd met het bedrag dat de overleden partner nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden, met dien verstande dat deze verhoging niet hoger kan zijn dan het bedrag aan uitkering uit een kapitaalverzekering ten gevolge van het overlijden van de partner.
7. Indien de kapitaalverzekering eigen woning tot uitkering komt door overlijden van een persoon die geen partner is van de begunstigde, wordt ten aanzien van deze verzekering het in het eerste lid, eerste volzin, genoemde bedrag van € 129 500 vervangen door het bedrag dat de overledene nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden.
