Art. 3104 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 3.104 — Vrijstellingen publiekrechtelijke uitkeringen
Tot de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen behoren niet:
uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ;
uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet ;
uitkeringen ingevolge artikel 4.3 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten ;
uitkeringen in de vorm van een gift of een voorwaardelijke gift ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 ;
uitkeringen als bedoeld in de artikelen 7.51, eerste tot en met zesde lid , 7.51a en 16.9b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Algemene bijstandswet die zijn bedoeld ter dekking van bepaalde noodzakelijke kosten;
op het inkomen van de belastingplichtige afgestemde uitkeringen die bij ministeriële regeling worden aangewezen, voorzover zij volgens die regeling zijn bedoeld ter dekking van:
bepaalde noodzakelijke kosten van huur van een woning of een woonwagen;
bepaalde noodzakelijke kosten in verband met de verkrijging of het behoud van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 , waarbij voor de toepassing van de regeling inzake de aftrek van de op de voordelen uit die woning drukkende kosten als bedoeld in artikel 3.110 deze uitkering geacht wordt wel te zijn aangewezen;
bepaalde noodzakelijke kosten in verband met opleiding of studie;
bepaalde noodzakelijke kosten die naar aard en strekking overeenkomen met kosten als bedoeld in onderdeel f;
bepaalde noodzakelijke kosten van huishoudelijke hulp;
bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die zijn bedoeld ter dekking van onderhoudskosten van thuiswonende gehandicapte kinderen;
uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met h.
Werkt terug tot en met 1 januari 2001.
Jurisprudentie
Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 3104.
