Art. 17 Wet IB 2001
Wettekst
Artikel 1.7 — Lijfrenten en pensioenen
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder lijfrente : een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering (artikel 3.117) op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990 . Onder een lijfrente wordt mede verstaan de aanspraak op winstuitkeringen voorzover die uitkeringen verband houden met een lijfrente.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder pensioenregeling : a. een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting; b. een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 , de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds , de Wet op de kansspelen of de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling ; c. een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, welke naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd.
Jurisprudentie
Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 17.
