Art. 3 Wbm
Wettekst
Artikel 3
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. grondwater: zoet grondwater; b. zoet grondwater: grondwater dat minder dan 300 milligram chloride per liter bevat; c. een inrichting: een inrichting als bedoeld in de Grondwaterwet , bestemd tot het onttrekken van grondwater; d. onttrekken van grondwater: het onttrekken van grondwater aan de bodem door middel van een inrichting; e. infiltreren van water: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater; f. pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur; g. een waterleidingbedrijf: een waterleidingbedrijf in de zin van de Waterleidingwet ; h. OEDI: een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen gecombineerde inrichting voor grondwaterwinning met voorschakeling van oeverfiltratie en diepinfiltratie.
2. Inrichtingen tot het onttrekken van grondwater die een samenhangend geheel vormen, worden als één inrichting aangemerkt.
3. Als waterleidingbedrijf wordt mede aangemerkt de persoon die of het lichaam dat op zichzelf niet een waterleidingbedrijf is in de zin van de Waterleidingwet , doch met een dergelijk bedrijf in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig is verweven dat die persoon of dat lichaam met dat bedrijf een eenheid vormt.
4. Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de wijze waarop de pompcapaciteit van een inrichting bepaald wordt.
5. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater: a. bij de ontwatering of afwatering van gronden; b. bij of ten behoeve van het ontginnen van mijnen, voor zover het onttrekken een uitvloeisel daarvan is en op een diepte van niet minder dan 500 meter - N.A.P. plaatsvindt.
Jurisprudentie
Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 3.
