Art. 12 Wbm
Wettekst
Artikel 12
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. afvalstoffen: afvalstoffen als bedoeld in de Wet milieubeheer ; b. definitief verwijderen: storten of verbranden van afvalstoffen, met uitzondering van verbranden met een hoofdgebruik als brandstof of een hoofdgebruik voor een andere wijze van energieopwekking; c. inrichting: een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer , werken daaronder niet begrepen, waarin afvalstoffen definitief worden verwijderd; d. niet-reinigbare verontreinigde baggerspecie: verontreinigde baggerspecie waarvan door middel van een verklaring van een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen instelling is aangetoond dat deze niet reinigbaar is tot een nuttig toepasbaar product; e. niet-reinigbare verontreinigde grond: verontreinigde grond waarvan door middel van een verklaring van een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen instelling is aangetoond dat deze niet reinigbaar is tot een nuttig toepasbaar product; f. ontinktingsresidu: de afvalstof die bij papier- en kartonfabrieken die oud papier als grondstof inzetten, ontstaat tijdens het proces waarbij het oud papier wordt ontinkt door middel van een flotatie- of wasproces; g. stoffen: chemische elementen en hun verbindingen, zoals deze voorkomen in de natuur dan wel door menselijk toedoen worden voortgebracht; h. preparaten: mengsels of oplossingen van stoffen; i. volumieke massa: gewicht per volume-eenheid uitgedrukt in kilogram per kubieke meter; j. percolaat: vloeistof die uit gestorte afvalstoffen komt of daarmee in contact is geweest; k. stortgas: gas dat uit gestorte afvalstoffen vrijkomt als gevolg van biologische afbraakreacties.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden niet tot afvalstoffen gerekend die stoffen, preparaten en andere producten, die bestemd zijn te worden gebruikt voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen toepassingen die hetzij verband houden met de bedrijfsvoering van de inrichting, hetzij deel uitmaken van het bedrijfsproces dat leidt tot bewerking, verwerking of definitieve verwijdering van afvalstoffen.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de bij de aanvraag van de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en e, te verstrekken gegevens.
