Art. 8 Wet VPB 1969
Wettekst
Artikel 8
1. De winst wordt opgevat en bepaald op de voet van de artikelen 3.8 , 3.11 en 3.12 , 3.13, eerste lid, onderdelen a en g , 3.14, eerste lid, onderdelen b tot en met g, en tweede tot en met vijfde lid , 3.21 tot en met 3.57 en 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 , waarbij voor ondernemer wordt gelezen belastingplichtige.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover: a. bij of krachtens deze wet of krachtens artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001 anders is bepaald; b. artikel 3.53 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betrekking heeft op de vorming van een oudedagsreserve; c. uit het verschil in wezen tussen de belastingplichtige en een natuurlijk persoon het tegendeel voortvloeit.
3. Indien een onderneming niet voor rekening van de belastingplichtige wordt gedreven, maar de belastingplichtige, anders dan als aandeelhouder, medegerechtigd is tot het vermogen van die onderneming, wordt de winst van die onderneming rechtstreeks door de belastingplichtige genoten.
4. Bij aanwezigheid van een of meer werknemers als bedoeld in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt de winst mede opgevat en bepaald op de voet van artikel 3.15, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 . Daarbij wordt voor de toepassing van genoemd vijfde lid het aldaar vermelde bedrag vermenigvuldigd met het aantal desbetreffende werknemers en wordt het aldaar bedoelde verzoek gedaan door de belastingplichtige.
5. Voor de toepassing van de artikelen 3.40 tot en met 3.46 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden niet in aanmerking genomen verplichtingen aangegaan door een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld: a. ter zake van de verwerving van een onderneming of een gedeelte van een onderneming tegen uitreiking van aandelen; b. tegenover een persoon die of een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is of in de loop van de laatste vijf jaren is geweest in die vennootschap; c. tegenover een andere vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld, indien hetzij de belastingplichtige in die vennootschap, hetzij een derde in beide vennootschappen voor ten minste een derde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is of in de loop van de laatste vijf jaren is geweest.
6. De artikelen 3.40 tot en met 3.46 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn niet van toepassing ten aanzien van lichamen welke als beleggingsinstelling zijn aangemerkt.
7. Voor de toepassing van artikel 3.47 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden aan het einde van het jaar, voorafgaande aan dat met ingang waarvan een lichaam als beleggingsinstelling wordt aangemerkt, de goederen van zulk een lichaam geacht te zijn vervreemd voor de waarde in het economische verkeer van die goederen.
8. Onze Minister kan bepalen dat het vijfde lid niet van toepassing is.
9. Artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt geen toepassing ingeval de aandelen of winstbewijzen die worden vervreemd behoren tot het vermogen van een lichaam dat als beleggingsinstelling is aangemerkt.
10. Voor de toepassing van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 , wordt een deelneming als bedoeld in artikel 13 niet tot de bedrijfsmiddelen gerekend.
