← Wet VPB 1969
VpbNL

Art. 15a Wet VPB 1969

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 · Gewijzigd: 6 januari 2026

Wettekst

Artikel 15a

1. Van een centrale maatschappij en haar ledenmaatschappijen wordt, op verzoek van al deze belastingplichtigen en ten vroegste met ingang van het jaar waarin het verzoek is ingediend, de belasting geheven alsof de ledenmaatschappijen in de centrale maatschappij zijn opgegaan zolang: a. de werkzaamheden van de ledenmaatschappijen plaatsvinden onder leiding van de centrale maatschappij; b. de werkzaamheden van de maatschappijen elkaar over en weer aangaan, met dien verstande dat de maatschappijen in ieder geval onderling instaan voor elkaars schulden; c. winstuitdelingen aan de leden van de ledenmaatschappijen plaatsvinden naar een gelijke maatstaf; d. de tijdvakken waarover de belasting wordt geheven voor de maatschappijen samenvallen; e. de door Onze Minister nader te stellen voorwaarden zijn vervuld. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in de vorige volzin bedoelde voorwaarden zijn opgenomen.

2. Het eerste lid vindt geen toepassing ingeval voor het bepalen van de winst niet bij de maatschappijen dezelfde bepalingen - uitgezonderd artikel 9, eerste lid, onderdeel h - van toepassing zijn, tenzij Onze Minister anders bepaalt.

3. De in het eerste lid, onderdeel e , bedoelde voorwaarden mogen slechts strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van de belasting met het oog op de omstandigheid dat de in dit artikel bedoelde maatschappijen uitsluitend voor de toepassing van deze wet een eenheid vormen en het geval dat deze eenheid wordt beëindigd. Onder deze voorwaarden worden begrepen voorwaarden die betrekking kunnen hebben op het bepalen van de in een jaar genoten winst, de toelaatbare reserves, de verrekening van verliezen en de inhoud en wijziging van de statuten van de maatschappijen alsmede de overdracht en beëindiging van lidmaatschapsrechten in de centrale maatschappij.

4. Indien de ledenmaatschappijen worden geacht te zijn opgegaan in de centrale maatschappij vindt met betrekking tot die centrale maatschappij artikel 9, eerste lid, onderdeel h , geen toepassing.

5. Dit artikel verstaat onder: a. centrale maatschappij: een binnen het Rijk gevestigde coöperatie waarvan de leden uitsluitend zijn binnen het Rijk gevestigde coöperaties; b. ledenmaatschappijen: de leden van een centrale maatschappij.

6. Dit artikel is op overeenkomstige wijze van toepassing op onderlinge waarborgmaatschappijen.

7. Het bepaalde in artikel 15, zesde en zevende lid , is van overeenkomstige toepassing.

  • Contact
  • Terms & Conditions
  • Privacy Policy
© 2026 Argus Tax
Argus Tax
ActualiteitenWetgevingBinnenkort
Praktijkgebieden▾
Indirect
Omzetbelasting (BTW)AccijnzenMilieubelastingenDouaneKansspelbelasting
Direct
VennootschapsbelastingInkomstenbelastingDividendbelastingBronbelastingMinimumbelasting (GloBE)
Loon & inhouding
LoonbelastingOverdrachtsbelastingSchenk- en erfbelastingBPM / AutobelastingenToeslagen
Formeel & overig
Formeel rechtVerrekenprijzenStaatssteunOverig
ContactAccount
Argus Tax
ActualiteitenWetgevingBinnenkortPraktijkgebieden
ContactAccount
Geconsolideerde brontekst ter informatie; aan deze weergave kunnen geen rechten worden ontleend. Raadpleeg de officiële versie op wetten.overheid.nl.

Jurisprudentie

Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 15a.