Art. 4b Wet DB 1965
Wettekst
Artikel 4b
1. Ingeval de in artikel 4 a, eerste lid , 2°, dan wel in het tweede lid, bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar blijft in afwijking in zoverre van dat artikel inhouding van belasting eveneens achterwege, mits de dochtermaatschappij ten belope van het bedrag van de belasting waarvan inhouding achterwege blijft, zekerheid stelt.
2. Gelijktijdig met het doen van de opgaaf als bedoeld in artikel 4 a , vierde lid , wordt de zekerheid gesteld bij de ontvanger. Deze beslist of de vorm van zekerheid die de dochtermaatschappij aanbiedt, wordt aanvaard.
3. Indien binnen één jaar na het tijdstip waarop de moedermaatschappij is gaan voldoen aan de voorwaarde dat zij voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel ten minste 25 percent van de stemrechten in de dochtermaatschappij bezit, zich een omstandigheid voordoet waardoor haar bezit daalt beneden de 25 percent, moet de belasting waarvan inhouding op grond van het eerste lid achterwege is gebleven, alsnog worden betaald.
4. De zekerheid wordt opgeheven indien de moedermaatschappij één jaar na het in het derde lid bedoelde tijdstip nog steeds voor ten minste 25 percent aandeelhouder is van de dochtermaatschappij, dan wel nog steeds ten minste 25 percent van de stemrechten in die maatschappij bezit.
5. De aan het stellen en het opheffen van de zekerheid verbonden kosten komen ten laste van de dochtermaatschappij.
6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de in artikel 4 a , derde lid , bedoelde moedermaatschappij op het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld nog niet voldoet aan de bedoelde bezitsperiode van één jaar.
Jurisprudentie
Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 4b.
