Art. 18e Wet LB 1964
Wettekst
Artikel 18e
1. Een overbruggingspensioen is een pensioen dat: a. ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen en uiterlijk eindigt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, met dien verstande dat ingeval het overbruggingspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd, dit wordt herrekend ten opzichte van die leeftijd of van de in de pensioenregeling vastgestelde latere ingangsdatum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij, zonodig in afwijking van de feitelijke situatie, kan worden uitgegaan van een pensioen dat op de voet van onderdeel b ten hoogste toelaatbaar is; b. per dienstjaar niet meer bedraagt dan 10 percent van het gezamenlijke bedrag van de uitkering ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65-jarige leeftijd, en in totaal niet meer bedraagt dan 100 percent van dat gezamenlijke bedrag, met dien verstande dat de opbouw van het overbruggingspensioen tijdsevenredig, direct voorafgaande aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen moet plaatsvinden.
2. Ingeval het tijdstip van ingang van het ouderdomspensioen wordt uitgesteld kan het overbruggingspensioen worden omgezet in een hoger overbruggingspensioen tot ten hoogste hetgeen op de voet van het eerste lid, onderdeel b toelaatbaar is, en voor het overige in ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen, met dien verstande dat na de omzetting het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen niet meer kunnen bedragen dan onderscheidenlijk 100 percent en 70 percent van het pensioengevend loon.
3. Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 18a, negende lid , van overeenkomstige toepassing.
Jurisprudentie
Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 18e.
