Art. 16 Wet LB 1964
Wettekst
Artikel 16
1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. reisafstand: de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van arbeid gemeten langs de meest gebruikelijke weg voorzover over die afstand geen vervoer vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt; b. vervoer vanwege de inhoudingsplichtige: 1°. vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer met uitzondering van het woon-werkverkeer van de werknemer die als bestuurder met een niet door de inhoudingsplichtige ter beschikking gesteld voertuig een of meer collega's mede vervoert; 2°. het reizen per openbaar vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen; c. regelmatig woon-werkverkeer: het ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van arbeid, waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd; d. kinderopvang: opvang van kinderen en pleegkinderen die jonger zijn dan 13 jaar die voldoet aan de regels die krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening zijn gesteld met betrekking tot de kwaliteit van de opvang, of die voldoet aan bij ministeriële regeling aan te wijzen buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening gestelde regels.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c: a. pleegt de werknemer in ieder geval ten minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van arbeid heeft gereisd of vermoedelijk zal reizen; b. mag worden aangenomen dat de werknemer niet ten minste eenmaal per week pleegt te reizen als hij in het kalenderjaar op minder dan 40 dagen van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van arbeid heeft gereisd of vermoedelijk zal reizen.
3. Zodra de werknemer op 40 dagen in het kalenderjaar heeft gereisd, wordt aangenomen dat de werknemer gedurende de verstreken periode in het kalenderjaar ten minste eenmaal per week placht te reizen.
4. In afwijking van artikel 13a wordt loon ter zake van het derde lid geacht te worden genoten zodra de werknemer op 40 dagen heeft gereisd.
