In- en uitvoerbesluit industriële goederen 1963
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;
oorsprong: hetgeen daaronder wordt verstaan in Titel II, Hoofdstuk 2, Afdeling 1, van het communautair douanewetboek ( PbEG 1992, L 302).
Artikel 2
1. De invoer van goederen, aangewezen in de bij dit besluit behorende bijlage A , zonder vergunning van Onze Minister, is verboden.
2. Het eerste lid geldt ten aanzien van de in bijlage A onder II (textielprodukten) opgenomen goederen slechts, indien die goederen van oorsprong zijn uit de landen, de na die aanduiding van die goederen staan vermeld.
3. Het eerste lid geldt niet in de gevallen, waarin artikel 2 van het Invoerbesluit landen 1981 ( Stb. 576) van toepassing is.
3. Het eerste lid geldt voorts niet in de gevallen waarin artikel 2, eerste lid, van het Invoerbesluit bepaalde ijzer- en staalprodukten Spanje ( Stb. 1985, 152) van toepassing is.
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
Vervallen
Artikel 5
Vervallen
Artikel 5a
1. De invoer van goederen, aangewezen in de bij dit besluit behorende bijlage E , zonder afgifte aan de bij die invoer betrokken ambtenaar van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, van een bewijsstuk inzake de oorsprong van die goederen, is verboden.
2. Onze Minister kan de bewijsstukken aanwijzen welke in de daarbij aangegeven gevallen dienen te worden afgegeven.
3. De in het eerste lid bedoelde ambtenaar is bevoegd om in geval van twijfel aan de juistheid of de echtheid van een afgegeven bewijsstuk te vorderen dat zodanige aanvullende bewijsstukken worden afgegeven dat naar zijn oordeel de juistheid van de aangegeven oorsprong voldoende is aangetoond.
Artikel 6
Onze Minister kan ontheffing verlenen van het bij artikel 2 of 5 a bepaalde.
Artikel 7
Vervallen
Artikel 8
Vervallen
Artikel 9
Bij de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2 worden daaraan voor de houder van de vergunning de volgende voorschriften verbonden:
de vergunning bij de invoer van goederen, waarvoor zij is verleend, in handen te stellen van de daarbij betrokken ambtenaar van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane;
de vergunning, zodra vaststaat dat daarvan geen gebruik meer kan worden gemaakt, voor zover zij in verband daarmede niet is ingehouden door een ambtenaar als onder a bedoeld, terstond terug te zenden aan degene, die haar heeft verleend;
aan degene, die de vergunning heeft verleend, binnen de daartoe gestelde termijn alle gewenste inlichtingen te verstrekken omtrent het van de vergunning gemaakte gebruik.
Artikel 9a
Vervallen
Artikel 9b
Vervallen
Artikel 9c
Vervallen
Artikel 9d
Vervallen
Artikel 9e
Vervallen
Artikel 9f
Vervallen
Artikel 10
Vergunningen en ontheffingen krachtens de In- en uitvoerbeschikking industriële goederen 1963 ( Stcrt. 1962, 222) verleend, worden, voor zover zij hun gelding nog niet hebben verloren, geacht te zijn verleend op grond van dit besluit.
Artikel 11
1. Dit besluit kan worden aangehaald als "In- en uitvoerbesluit industriële goederen 1963".
2. Het treedt in werking met ingang van 3 juli 1963.
