Art. 76 AWR
Wettekst
Artikel 76
1. Ten aanzien van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten gelden in plaats van de artikelen 74 en 74 a van het Wetboek van Strafrecht de volgende bepalingen.
2. Ten aanzien van feiten, met betrekking tot welke het proces-verbaal niet overeenkomstig artikel 80, tweede lid , in handen van de officier van justitie is gesteld, vervalt het recht tot strafvordering door vrijwillige voldoening aan de voorwaarden welke het bestuur van ’s Rijks belastingen ter voorkoming van de strafvervolging mocht hebben gesteld.
3. Als voorwaarden kunnen worden gesteld: a. betaling aan de Staat van een geldsom, te bepalen op ten minste € 2 en ten hoogste het maximum van de geldboete die voor het feit kan worden opgelegd; b. afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer; c. uitlevering, of voldoening aan de Staat van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring; d. voldoening aan de Staat van een geldbedrag gelijk aan of lager dan het geschatte voordeel - met inbegrip van besparing van kosten - door de verdachte verkregen door middel van of uit het strafbare feit; e. het alsnog voldoen aan een bij de belastingwet gestelde verplichting;
4. Het bestuur van ’s Rijks belastingen bepaalt telkens de termijn binnen welke aan de gestelde voorwaarden moet zijn voldaan en zo nodig tevens de plaats waar zulks moet geschieden. De gestelde termijn kan vóór de afloop daarvan éénmaal worden verlengd.
5. Artikel 552ab van het Wetboek van Strafvordering is v an overeenkomstige toepassing.
Jurisprudentie
Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 76.
