Art. 45 SW 1956
Wettekst
Artikel 45
1. De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor het recht van successie en voor het recht van overgang zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan acht maanden na het overlijden of na de schenking.
2. Indien zwangerschap oorzaak is, dat onzekerheid bestaat omtrent de persoon van de erfgenaam of de heffing van de belasting, gaat de in het eerste lid bedoelde termijn van acht maanden in van de dag van de bevalling, of indien de vrouw vroeger mocht overlijden van de dag van haar overlijden, of indien geen van beide op de 306de dag na de dood van de erflater mocht hebben plaats gehad, van de eerste daarop volgende dag. Deze bepaling kan niet worden ingeroepen door degene, op het erfdeel van wie, wat de hoegrootheid betreft, de bevalling geen invloed kan uitoefenen.
3. De in het eerste lid bedoelde termijn van acht maanden loopt niet gedurende de tijd, dat de nalatenschap volgens de wet als onbeheerd wordt beschouwd en geen curator aanwezig is. Indien verkregen wordt tengevolge van de vervulling van een voorwaarde, van aanvaarding, nadat eerst verwerping had plaats gehad, van een afstand door een bezwaarde ten behoeve van de verwachters of van de uitoefening van een wilsrecht, voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, gaat de in het eerste lid bedoelde termijn van acht maanden in van de dag, waarop één van die gebeurtenissen plaats vindt.
Jurisprudentie
Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 45.
