Art. 24 SW 1956
Wettekst
Artikel 24
1. Behoudens de toepassing van artikel 35 wordt de belasting geheven naar het volgende tarief, uitgedrukt in euro’s. In dit tarief is telkens vermeld onder letter a: de belasting bij een belaste verkrijging als daarnaast is vermeld in kolom (1); onder letter b: het heffingspercentage over het gedeelte der belaste verkrijging, gelegen tussen de daarnaast in de kolommen (1) en (2) vermelde bedragen. Gedeelte van de belaste verkrijging Indien geërfd of verkregen wordt door: I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad, of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid 1 Voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan. II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn III. andere verkrijgers, uitgezonderd de rechtspersonen bedoeld in het vierde lid a b a b a b 0 – 19 994 0 5 0 26 0 41 19 994 – 39 984 999 8 5 198 30 8 197 45 39 984 – 79 961 2 598 12 11 195 35 17 192 50 79 961 – 159 916 7 395 15 25 186 39 37 180 54 159 916 – 319 826 19 388 19 56 368 44 80 355 59 319 826 – 799 554 49 770 23 126 728 48 174 701 63 799 554 en het hogere bedrag van de belaste verkrijging 160 107 27 356 997 53 476 929 68
2. Onder verkrijger in tariefgroep I wordt verstaan een verkrijger – niet zijnde de echtgenoot – die: a. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker een als duurzaam bedoelde gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, welke huishouding in geval van overlijden reeds zes maanden heeft geduurd en in geval van schenking reeds twee jaar heeft geduurd, waarbij slechts in aanmerking wordt genomen een periode na het bereiken van de 18-jarige leeftijd. Het voeren van een gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in dit letteronderdeel wordt slechts aangenomen indien de verkrijger en de erflater of de schenker volgens de basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland op hetzelfde woonadres staan ingeschreven en een wederzijdse zorgverplichting zijn aangegaan, vastgelegd in een notarieel samenlevingscontract. Dit letteronderdeel is niet van toepassing op bloedverwanten in de rechte lijn van de erflater of schenker en op verkrijgers die gedurende de laatste vijf kalenderjaren voorafgaand aan het kalenderjaar van overlijden onderscheidenlijk van schenking, voor de heffing van de inkomstenbelasting hadden kunnen kwalificeren als partner van de erflater of schenker, doch zulks hebben nagelaten. De in dit letteronderdeel bedoelde verkrijger dient als enige persoon te voldoen aan de in dit onderdeel gestelde eisen; of b. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker na hun 22e jaar gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 jaren en met geen ander dan met een of meer kinderen jonger dan 27 jaar van een van hen of van hen beiden een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Voor dit letteronderdeel wordt met een kind gelijkgesteld een pleegkind, waaronder voor de toepassing van dit letteronderdeel wordt verstaan een kind dat door de verkrijger en de erflater of de schenker als een eigen kind is onderhouden en opgevoed; dan wel c. tot het tijdstip van het overlijden of de schenking samen met de erflater of de schenker na hun 22e jaar gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 jaren een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.
3. Voor zover een schenking binnen het Rijk gelegen onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen of voor de heffing van de overdrachtsbelasting daarmee gelijkgestelde certificaatrechten en dergelijke of rechten van lidmaatschap van verenigingen of coöperaties tot voorwerp heeft, bedraagt het recht van schenking of het recht van overgang niet minder dan de overdrachtsbelasting welke zou zijn verschuldigd, indien artikel 15, eerste lid, letter d , van de Wet op belastingen van rechtsverkeer niet van toepassing zou zijn.
4. Indien geërfd of verkregen wordt door een binnen het Rijk gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling, is verschuldigd 11 ten honderd over de waarde van de verkrijging, indien en voor zover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang.
5. De overdrachtsbelasting betaald over het bedrag waarover recht van schenking of recht van overgang verschuldigd is, strekt in mindering van het recht van schenking onderscheidenlijk het recht van overgang.
