Art. 10 SW 1956
Wettekst
Artikel 10
1. Al wat iemand ten koste van erflaters vermogen heeft verkregen in verband met een rechtshandeling, waarbij de overledene partij was, wordt, indien na te melden omstandigheden aanwezig zijn, voor de regeling van de rechten van successie en van overgang, geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen.
2. Het in het vorige lid bepaalde is toepasselijk, indien de overledene in verband met die rechtshandeling tot zijn overlijden of een daarmede verband houdend tijdstip het genot heeft gehad van een vruchtgebruik of een periodieke uitkering en een vruchtgebruik of een periodieke uitkering ten laste van de in het eerste lid bedoelde verkrijger is gekomen.
3. Van de te dezer zake aan te geven waarde kan, voor de regeling van het recht van successie, worden afgetrokken wat bij de rechtshandeling door de overledene werd bedongen, vermeerderd met interest naar het in artikel 21, achtste lid , bedoelde percentage van de dag van betaling van het bedongene tot het overlijden. Voor vruchtgebruik wordt, voor zover dat middellijk of onmiddellijk door de erflater is genoten, geen aftrek toegelaten en de aftrek van aldus genoten periodieke uitkeringen wordt beperkt tot de waarde, welke de verkrijger ter zake heeft opgeofferd. Een eventuele negatieve waarde van de verkrijging wordt buiten beschouwing gelaten.
4. De overdrachtsbelasting - voor zover deze niet heeft geleid tot toepassing van artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer - en de rechten van schenking en van overgang, betaald ter zake van de waarde welke op grond van dit artikel voor de heffing van het recht van successie of van overgang in aanmerking komt, strekken in mindering van het ten gevolge van dit artikel verschuldigde recht.
5. De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk: 1°. indien de verkrijger niet is de echtgenoot van de erflater, noch behoort tot diens bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun echtgenoten, noch een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid ; 2°. indien het genot voor de erflater meer dan 180 dagen vóór zijn overlijden is geëindigd; 3°. indien de verkrijger vóór de erflater is overleden.
