← SW 1956
Schenk- en erfbelastingNL

Art. 1 SW 1956

Successiewet 1956 · Gewijzigd: 6 januari 2026

Wettekst

Artikel 1

1. Krachtens deze wet worden de volgende belastingen geheven: 1°. recht van successie van de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand, die ten tijde van dat overlijden binnen het Rijk woonde. Onder verkrijging krachtens erfrecht wordt mede verstaan de verkrijging van vergunningen en aanspraken bij of na het overlijden van de erflater, indien die verkrijging rechtstreeks verband houdt met de omstandigheid, dat de erflater die of dergelijke vergunningen en aanspraken bezat; 2°. recht van overgang van de waarde van het in artikel 5, tweede lid , nader omschrevene, verkregen krachtens schenking, of krachtens erfrecht door het overlijden, van iemand, die ten tijde van die schenking of van dat overlijden niet binnen het Rijk woonde; 3°. recht van schenking van de waarde van al wat door schenking wordt verkregen van iemand, die ten tijde van die schenking binnen het Rijk woonde.

2. Onder schenking wordt voor de toepassing van deze wet verstaan de schenking geregeld in de elfde titel van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek en elke andere bevoordeling uit vrijgevigheid - daaronder begrepen de uitvoering, door bezitsoverdracht of anderszins, van een nietige schenking -, en voorts de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek . Onder schenking wordt niet begrepen de bevoordeling als gevolg van verwerping door een erfgenaam of legataris. Een bevoordeling door een beding ten behoeve van een derde wordt, voor zover artikel 13 niet toepasselijk is, geacht te zijn een schenking door degene die het beding heeft gemaakt aan de derde.

3. Indien de waarde van het in artikel 5, tweede lid , omschrevene, 90% of meer uitmaakt van hetgeen krachtens deze wet zou worden belast met het recht van successie in het geval de erflater binnen het Rijk zou hebben gewoond, wordt op gezamenlijk verzoek van alle verkrijgers uit die nalatenschap de erflater ten tijde van het overlijden geacht binnen het Rijk te hebben gewoond. Indien de waarde van het in artikel 5, tweede lid , omschrevene, 90% of meer uitmaakt van hetgeen krachtens deze wet zou worden belast met het recht van schenking in het geval de schenker binnen het Rijk zou hebben gewoond, wordt op verzoek van de verkrijger de schenker ten tijde van de schenking geacht binnen het Rijk te hebben gewoond. Bij de toepassing van de tweede volzin zijn de artikelen 27 en 28 van overeenkomstige toepassing.

  • Contact
  • Terms & Conditions
  • Privacy Policy
© 2026 Argus Tax
Argus Tax
ActualiteitenWetgevingBinnenkort
Praktijkgebieden▾
Indirect
Omzetbelasting (BTW)AccijnzenMilieubelastingenDouaneKansspelbelasting
Direct
VennootschapsbelastingInkomstenbelastingDividendbelastingBronbelastingMinimumbelasting (GloBE)
Loon & inhouding
LoonbelastingOverdrachtsbelastingSchenk- en erfbelastingBPM / AutobelastingenToeslagen
Formeel & overig
Formeel rechtVerrekenprijzenStaatssteunOverig
ContactAccount
Argus Tax
ActualiteitenWetgevingBinnenkortPraktijkgebieden
ContactAccount
Geconsolideerde brontekst ter informatie; aan deze weergave kunnen geen rechten worden ontleend. Raadpleeg de officiële versie op wetten.overheid.nl.

Jurisprudentie

Nog geen gepubliceerde uitspraken over art. 1.