← Terug naar wetgeving
VerordeningEUDouane

Commission Regulation (EC) No 12/97 of 18 December 1996 amending Regulation (EEC) No 2454/93 laying down provisions for the implementation of Council Regulation (EEC) No 2913/92 establishing the Community Customs Code

Geconsolideerde brontekst ter informatie; aan deze weergave kunnen geen rechten worden ontleend. Raadpleeg de officiële versie op EUR-Lex.
Open officiële versie ↗Ontwikkelingen in de feed →

Avis juridique important

|

31997R0012

Verordening (EG) nr. 12/97 van de Commissie van 18 december 1996 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

Publicatieblad Nr. L 009 van 13/01/1997 blz. 0001 - 0177


VERORDENING (EG) Nr. 12/97 VAN DE COMMISSIE van 18 december 1996 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (1), gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, inzonderheid op artikel 249,

Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2153/96 van de Raad (3), enkele bepalingen zijn vastgesteld ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92;

Overwegende dat de Raad op 22 december 1994 Besluit 94/800/EG (4) betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten heeft vastgesteld; dat in toepassing van de aan voormeld besluit gehechte bijlage 1 A die de Overeenkomst betreffende de oorsprongsregels bevat, de Gemeenschap zich ertoe heeft verbonden een systeem van bindende oorsprongsinlichtingen in werking te doen treden;

Overwegende dat de samenhang tussen elk stelsel van oorsprongsregels, met inachtneming van de bijzondere aard van elk van deze stelsels, dient te worden verbeterd om deze regels in hun geheel leesbaarder te maken; dat dit met name voor de autonome oorsprongsregels geldt; dat rekening dient te worden gehouden met de inwerkingtreding van de gecombineerde nomenclatuur die ingevolge de herziening van het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen is vastgesteld; dat tevens rekening dient te worden gehouden met de inwerkingtreding van het door de Unctad gewijzigde certificaat van oorsprong, formulier A;

Overwegende dat duidelijk moet worden bepaald welke stukken bij de aangifte voor plaatsing onder een economische douaneregeling moeten worden gevoegd, teneinde de formaliteiten bij toepassing van deze regelingen te verminderen;

Overwegende dat het aanbeveling verdient vast te stellen welke gegevens ten minste dienen voor te komen op de kwitantie die tegen betaling van de rechten na een mondelinge aangifte wordt afgegeven, om de bewijslevering te vergemakkelijken dat de douaneformaliteiten voor de betrokken goederen zijn vervuld;

Overwegende dat bij Verordening (EG) nr. 482/96 van de Commissie (5) tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 in de regeling communautair douanevervoer soepeler alternatieve bewijsmogelijkheden werden ingevoerd om deze regeling, in geval van niet-terugzending van exemplaar nr. 5 van het enig document, te kunnen aanzuiveren; dat, wat het leveren van een alternatief bewijs betreft, in een zelfde soepelheid dient te worden voorzien ingeval van niet-terugzending van het terugzendingsexemplaar van het TIR- of van het ATA-carnet;

Overwegende dat bij Verordening (EG) nr. 482/96 in het kader van de regeling communautair douanevervoer eveneens de mogelijkheid werd ingesteld tot het voorschrijven van een te volgen route, met name wat de goederen betreft waarvoor de mogelijkheid tot gebruikmaking van de doorlopende zekerheid is geschorst; dat voor dezelfde goederen in het kader van de TIR-regeling juist dezelfde controlemogelijkheden dienen te worden ingesteld;

Overwegende dat wegens uitvoer van onveredelde goederen die onder de regeling actieve veredeling, teruggaafsysteem, zijn geplaatst, terugbetaling van invoerrechten kan worden toegestaan;

Overwegende dat de Commissie zich krachtens de artikelen 871 en 905 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 aan de hand van de dossiers die haar door de Lid-Staten worden voorgelegd, over, enerzijds, omstandigheden waarin mogelijkerwijze niet tot boeking achteraf van de rechten bij in- of bij uitvoer moet worden overgegaan en, anderzijds, verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij in- of bij uitvoer dient uit te spreken;

Overwegende dat het dienstig is zich ervan te vergewissen dat het recht om te worden gehoord van personen op wie een besluit betreffende een boeking achteraf van de rechten bij in- of bij uitvoer betrekking heeft en van personen die om terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij in- of bij uitvoer verzoeken, ook daadwerkelijk gewaarborgd is;

Overwegende dat het noodzakelijk is om in de gevallen waarin het waarschijnlijk is dat later een terugbetaling zal moeten worden toegekend om een invordering te vermijden, in de mogelijkheid te voorzien dat de verplichting van de schuldenaar tot betaling van de rechten in die gevallen wordt opgeschort overeenkomstig met name artikel 222, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2913/92;

Overwegende dat in artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 2913/93 de voorwaarden zijn neergelegd met betrekking tot de vaststelling van de oorsprong van goederen; dat talrijke onderdelen die uit meer dan één land van oorsprong kunnen stammen en vooraf, in andere landen dan in het land waarin zij uiteindelijk tot bepaalde onbeschreven magneetschijven worden geassembleerd, kunnen zijn samengevoegd; dat de assemblage van vooraf samengevoegde elementen niet als een oorsprongverlenende be- of verwerking kan worden beschouwd; dat in die omstandigheden en teneinde een eenvormige uitlegging en toepassing van artikel 24 voor magneetschijven te waarborgen, bijlage 11 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 dient te worden gewijzigd;

Overwegende dat het volgens Besluit nr. 4/92 van het Samenwerkingscomité EEG-San Marino van 22 december 1992 (6) en Besluit nr. 1/96 van het Gemengd Comité EG-Andorra van 1 juli 1996 (7) mogelijk is in het verkeer tussen enerzijds de Gemeenschap en anderzijds San Marino respectievelijk Andorra van de regeling communautair douanevervoer gebruik te maken; dat het derhalve dienstig is de lijst van codes voor de vakken 51, 52 en 53 van het enig document aan te vullen;

Overwegende dat het om economische redenen zinvol is de lijst in bijlage 87 aan te vullen;

Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 2454/93 wordt als volgt gewijzigd:

1. Deel I, titel II, wordt als volgt gelezen:

"TITEL II

BINDENDE INLICHTINGEN

HOOFDSTUK 1

Definities

Artikel 5

In de zin van deze titel wordt verstaan onder:

1) bindende inlichting:

een tariefinlichting of een inlichting inzake de oorsprong die de administraties van alle Lid-Staten van de Gemeenschap bindt wanneer de in de artikelen 6 en 7 omschreven voorwaarden zijn vervuld;

2) aanvrager:

- van een tariefinlichting: elke persoon die bij de douaneautoriteiten een verzoek om een bindende tariefinlichting heeft ingediend;

- van een oorsprongsinlichting: elke persoon die om gegronde redenen bij de douaneautoriteiten een verzoek om een bindende oorsprongsinlichting heeft ingediend;

3) rechthebbende:

de persoon op wiens naam de bindende inlichting wordt verstrekt.

HOOFDSTUK 2

Procedure voor het verkrijgen van bindende inlichtingen - Kennisgeving aan de aanvrager en mededeling van de inlichtingen aan de Commissie

Artikel 6

1. Het verzoek om een bindende inlichting geschiedt schriftelijk en wordt gericht aan, hetzij de bevoegde douaneautoriteiten van de Lid-Staat, respectievelijk Lid-Staten waar de bedoelde inlichting dient te worden gebruikt, hetzij de bevoegde douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de aanvrager is gevestigd.

2. Het verzoek om een bindende tariefinlichting mag slechts op één soort goederen, dat om een bindende oorsprongsinlichting slechts op één soort goederen en op één type oorsprongverlenende omstandigheden betrekking mag hebben.

3. A. Het verzoek om een bindende tariefinlichting dient met name de volgende gegevens te bevatten:

a) de naam en het adres van de rechthebbende;

b) de naam en het adres van de aanvrager, wanneer deze niet tevens de rechthebbende is;

c) de douanenomenclatuur waarin de goederen dienen te worden ingedeeld. Wanneer de aanvrager de indeling van goederen in een van de in artikel 20, lid 3, onder b) en lid 6, onder b) van het Wetboek bedoelde nomenclaturen wenst te kennen, dient de betreffende nomenclatuur uitdrukkelijk in zijn verzoek om een bindende tariefinlichting te worden vermeld;

d) een gedetailleerde omschrijving van de goederen waardoor zij kunnen worden geïdentificeerd en in de douanenomenclatuur kunnen worden ingedeeld;

e) de samenstelling van de goederen en de onderzoekmethoden die eventueel worden gebruikt om deze samenstelling te bepalen, indien de indeling hiervan afhankelijk is;

f) de eventuele beschikbaarstelling in de vorm van bijlagen, van monsters, fotografische afbeeldingen, blauwdrukken, catalogi of andere documentatie, die de douaneautoriteiten bij het vaststellen van de juiste indeling van de goederen in de douanenomenclatuur van nut kunnen zijn;

g) de beoogde indeling;

h) een verklaring dat de aanvrager bereid is de douaneautoriteiten desgevraagd van de eventueel bijgevoegde documentatie een vertaling in de officiële taal of in een van de officiële talen van de betrokken Lid-Staat te bezorgen;

i) de vermelding van de gegevens die als vertrouwelijk zijn te beschouwen;

j) de vermelding door de aanvrager of bij zijn weten reeds een bindende tariefinlichting voor identieke of gelijkaardige goederen in de Gemeenschap is gevraagd of verstrekt;

k) een verklaring dat de aanvrager ermee instemt dat de verstrekte gegevens in een databank van de Commissie worden opgeslagen. Onverminderd artikel 15 van het Wetboek zijn echter de in de Lid-Staten inzake gegevensbescherming geldende bepalingen van toepassing.

B. Het verzoek om een bindende oorsprongsinlichting dient de volgende gegevens te bevatten:

a) de naam en het adres van de rechthebbende;

b) de naam en het adres van de aanvrager, wanneer deze niet tevens de rechthebbende is;

c) de rechtsgrondslag in de zin van de artikelen 22 en 27 van het Wetboek;

d) een gedetailleerde omschrijving van de goederen alsook de tariefindeling daarvan;

e) indien nodig, de samenstelling van de goederen en de ter bepaling van die samenstelling eventueel gebruikte onderzoekmethoden alsmede de prijs af fabriek van de goederen;

f) de voor het vaststellen van de oorsprong vereiste gegevens, de omschrijving van de in het betrokken produkt verwerkte materialen alsmede de oorsprong, de tariefindeling en de waarde daarvan en een opgave van de redenen (regels inzake wijziging van tariefpost, toegevoegde waarde, omschrijving van de be- of verwerking of elke andere specifieke regel) waarom het betrokken produkt aan de gestelde voorwaarden voldoet; in het bijzonder dient te worden vermeld welke oorsprongsregel juist werd toegepast, en tevens de beoogde oorsprong van de betrokken goederen;

g) de eventuele beschikbaarstelling in de vorm van bijlagen, van monsters, fotografische afbeeldingen, blauwdrukken, catalogi of andere documentatie betreffende zowel de samenstelling van de goederen als de daarin verwerkte materialen, waaruit blijkt welk fabricageprocédé of welke be- of verwerking deze materialen hebben ondergaan;

h) een verklaring dat de aanvrager bereid is de douaneautoriteiten desgevraagd een vertaling van de eventueel bijgevoegde documentatie in de officiële taal of in een van de officiële talen van de betrokken Lid-Staat te bezorgen;

i) de vermelding van de elementen die als vertrouwelijk dienen te worden beschouwd, ongeacht of deze het algemene publiek dan wel de administraties betreffen;

j) de vermelding door de aanvrager of bij zijn weten reeds een bindende tarief- of een bindende oorsprongsinlichting voor goederen of materialen die identiek of gelijkaardig zijn aan de onder d) of f) vermelde goederen of materialen, in de Gemeenschap is gevraagd of verstrekt;

k) een verklaring dat de aanvrager ermee instemt dat de verstrekte gegevens in een voor het publiek toegankelijke databank van de Commissie worden opgeslagen. Onverminderd artikel 15 van het Wetboek zijn echter de in de Lid-Staten inzake gegevensbescherming geldende bepalingen van toepassing.

4. Indien bij de ontvangst van het verzoek de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat het niet alle benodigde gegevens bevat om zich met kennis van zaken te kunnen uitspreken, verzoeken zij de aanvrager hen de ontbrekende gegevens te verstrekken. De in artikel 7 bedoelde termijnen van drie maanden, respectievelijk 150 dagen gaan in op het tijdstip waarop de douaneautoriteiten over alle vereiste gegevens beschikken. Zij stellen de aanvrager van de ontvangst van zijn verzoek en van de datum waarop genoemde termijn ingaat, in kennis.

5. De lijst van de door de Lid-Staten aangewezen douaneautoriteiten waar verzoeken om bindende tarief- of bindende oorsprongsinlichtingen moeten worden ingediend of die deze inlichtingen verstrekken, wordt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt.

Artikel 7

1. Van de bindende inlichting wordt de aanvrager zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis gegeven:

a) Wat de tariefinlichting betreft: indien drie maanden na de aanvaarding van het verzoek om inlichtingen de bindende tariefinlichting de aanvrager nog niet kon worden medegedeeld, stellen de douaneautoriteiten deze in kennis van de redenen van de vertraging alsmede van de termijn waarbinnen zij van oordeel zijn de gevraagde bindende tariefinlichting te kunnen verstrekken.

b) Wat de oorsprongsinlichting betreft: deze dient de aanvrager uiterlijk binnen 150 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag te worden verstrekt.

2. De kennisgeving geschiedt op een formulier waarvan het model in bijlage 1 (bindende tariefinlichting), respectievelijk in bijlage 1 bis (bindende oorsprongsinlichting) is opgenomen. In deze kennisgevingen wordt vermeld welke van de opgenomen gegevens als vertrouwelijk moeten worden beschouwd. Van de in artikel 243 van het Wetboek bedoelde mogelijkheid van beroep moet melding worden gemaakt.

Artikel 8

1. Een afschrift van de bindende tariefinlichting (exemplaar nr. 2 van bijlage 1) waarvan kennis is gegeven, en van de gegevens (exemplaar nr. 4 van bijlage 1) of een afschrift van de bindende oorsprongsinlichting en van de gegevens worden door de douaneautoriteiten zo spoedig mogelijk aan de Commissie toegezonden. Deze toezendingen geschieden langs wegen die de telematica biedt.

2. De Commissie doet een Lid-Staat op daartoe verstrekkend verzoek zo spoedig mogelijk de gegevens die op het afschrift van het formulier voorkomen, en de andere daarmee verband houdende informatie toekomen. Deze toezendingen geschieden langs wegen die de telematica biedt.

HOOFDSTUK 3

Verschillen tussen bindende inlichtingen

Artikel 9

1. Wanneer tussen twee of meer bindende inlichtingen verschillen worden geconstateerd:

- plaatst de Commissie dit vraagstuk eigener beweging of op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat op de agenda van de vergadering van het Comité van de volgende maand of, indien dit niet mogelijk is, op die van, zijn eerst daaropvolgende vergadering;

- stelt de Commissie volgens de procedure van het Comité zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden na de in het eerste streepje bedoelde vergadering, een maatregel vast die de eenvormige toepassing van de voorschriften op het gebied van, naargelang van het geval, de nomenclatuur of de oorsprong garandeert.

2. Voor de toepassing van lid 1 worden als verschillend beschouwd, de bindende oorsprongsinlichtingen die een verschillende oorsprong toekennen aan goederen, welke:

- onder dezelfde tariefpost vallen en waarvan de oorsprong volgens dezelfde oorsprongregels is vastgesteld, en

- volgens hetzelfde fabricageprocédé zijn verkregen.

HOOFDSTUK 4

Juridische draagwijdte van bindende inlichtingen

Artikel 10

1. Op de bindende inlichting mag, onverminderd de artikelen 5 en 64 van het Wetboek, slechts door de rechthebbende een beroep worden gedaan.

2. a) Wat de tariefinlichting betreft, kunnen de douaneautoriteiten eisen dat de rechthebbende die voor de goederen welke het voorwerp van inklaring zijn, in het bezit is van een bindende tariefinlichting, hen, wanneer die rechthebbende de douaneformaliteiten vervult, van die inlichting in kennis stelt.

b) Wat de oorsprongsinlichting betreft, kunnen de autoriteiten die bevoegd zijn de toepasselijkheid van bindende oorsprongsinlichtingen te verifiëren, eisen dat de rechthebbende die, voor de goederen welke het voorwerp van nagenoemde formaliteiten zijn, in het bezit is van een bindende oorsprongsinlichting, hen, wanneer die rechthebbende enigerlei formaliteit vervult, van die inlichting in kennis stelt.

3. De rechthebbende van een bindende inlichting mag zich voor bepaalde goederen daarop slechts beroepen indien:

a) Wat de tariefinlichting betreft, ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt vastgesteld dat deze goederen in alle opzichten aan de in de voorgelegde inlichting opgenomen omschrijving beantwoorden.

b) Wat de oorsprongsinlichting betreft, ten genoegen van de in lid 2, onder b), bedoelde autoriteiten wordt vastgesteld dat deze goederen in ieder opzicht aan de in de overgelegde inlichtingen opgenomen omschrijving en aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprong beantwoorden.

4. De douaneautoriteiten (voor de bindende tariefinlichtingen) of de in lid 2, onder b), bedoelde autoriteiten (voor de bindende oorsprongsinlichtingen) kunnen van de inlichting een vertaling in de officiële taal of in een van de officiële talen van de betrokken Lid-Staat verlangen.

Artikel 11

De vanaf 1 januari 1991 door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat verstrekte bindende tariefinlichtingen binden onder dezelfde voorwaarden de douaneautoriteiten van alle Lid-Staten.

Artikel 12

1. Onmiddellijk na de vaststelling van een van de in artikel 12, lid 5, van het Wetboek genoemde besluiten of maatregelen dragen de douaneautoriteiten ervoor zorg dat bindende inlichtingen nog uitsluitend overeenkomstig het genoemde besluit of de genoemde maatregel worden verstrekt.

2. a) Voor bindende tariefinlichtingen is de voor de toepassing van lid 1 in aanmerking te nemen datum:

- wat de in artikel 12, lid 5, onder a), i) van het Wetboek bedoelde verordeningen waarbij de douanenomenclatuur wordt gewijzigd, betreft, die waarop zij van toepassing worden;

- wat de in artikel 12, lid 5, onder a), i), van het Wetboek bedoelde verordeningen waarbij de indeling van goederen in de douanenomenclatuur wordt vastgesteld of gewijzigd, betreft, die waarop zij in de L-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt;

- wat de in artikel 12, lid 5, onder a), ii), van het Wetboek bedoelde maatregelen betreffende wijziging van de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur betreft, die waarop zij in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt;

- wat de in artikel 12, lid 5, onder a), ii), van het Wetboek bedoelde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreft, die waarop het arrest wordt gewezen;

- wat de in artikel 12, lid 5, onder a), ii), van het Wetboek bedoelde maatregelen van de Werelddouaneorganisatie inzake indelingsadviezen of wijziging van de toelichtingen op de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem betreft, die waarop zij door de Commissie in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt.

b) Voor bindende oorsprongsinlichtingen is de voor de toepassing van lid 1 in aanmerking te nemen datum:

- wat de in artikel 12, lid 5, onder b), i), van het Wetboek bedoelde verordeningen betreffende de definitie van het begrip oorsprong van goederen en de in artikel 12, lid 5, onder b), ii), bedoelde voorschriften betreft, die waarop zij van toepassing worden;

- wat de in artikel 12, lid 5, onder b), ii), van het Wetboek bedoelde maatregelen betreffende de op communautair niveau vastgestelde toelichtingen en adviezen betreft, die waarop zij in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt;

- wat de in artikel 12, lid 5, onder b), ii), van het Wetboek bedoelde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreft, die waarop het arrest wordt gewezen;

- wat de in artikel 12, lid 5, onder b), ii), van het Wetboek bedoelde maatregelen van de Wereldhandelsorganisatie inzake oorsprongsadviezen of toelichtingen betreft, die welke in de mededeling van de Commissie in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt vermeld;

- wat de in artikel 12, lid 5, onder b), ii), van het Wetboek bedoelde maatregelen in verband met de bijlage bij de Overeenkomst betreffende de oorsprongsregels van de Wereldhandelsorganisatie en de in het kader van internationale overeenkomsten vastgestelde maatregelen betreft, die waarop zij van toepassing worden.

3. De Commissie deelt de douaneautoriteiten zo spoedig mogelijk de data mede waarop de in dit artikel bedoelde maatregelen en besluiten zijn vastgesteld.

HOOFDSTUK 5

Het vervallen van de geldigheid van bindende inlichtingen

Artikel 13

Indien met toepassing van artikel 12, lid 4, tweede volzin, en lid 5, van het Wetboek een bindende inlichting wordt ingetrokken of haar geldigheid verliest, deelt de douaneautoriteit die deze inlichting heeft verstrekt, dit zo spoedig mogelijk aan de Commissie mede.

Artikel 14

1. Wanneer de rechthebbende van een bindende inlichting die haar geldigheid heeft verloren om redenen als bedoeld in artikel 12, lid 5, van het Wetboek, zich gedurende een bepaalde periode overeenkomstig lid 6 van dat artikel op deze inlichting wenst te beroepen, geeft hij de douaneautoriteiten daarvan kennis. Deze kennisgeving dient zo nodig vergezeld te gaan van bewijsstukken aan de hand waarvan kan worden nagegaan of aan de ter zake gestelde voorwaarden is voldaan.

2. In de uitzonderlijke gevallen waarin de Commissie overeenkomstig artikel 12, lid 7, tweede alinea, van het Wetboek een van lid 6 van dat artikel afwijkende maatregel heeft vastgesteld en in de gevallen waarin niet aan de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde voorwaarden om zich op een bindende inlichting te kunnen beroepen is voldaan, geven de douaneautoriteiten daarvan de rechthebbende schriftelijk kennis.".

2. Deel I, Titel IV, hoofdstuk 2, wordt als volgt gelezen:

"HOOFDSTUK 2

Preferentiële oorsprong

Artikel 66

In de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a) "vervaardiging": elke be- of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale verrichtingen;

b) "materiaal": alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen enz., die bij de vervaardiging van het produkt worden gebruikt;

c) "produkt": het verkregen produkt, zelfs indien het wordt bestemd om later bij een andere vervaardigingsverrichting te worden gebruikt;

d) "goederen": zowel materialen als produkten;

e) ",douanewaarde": de waarde zoals bepaald bij de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994 (Overeenkomst inzake de douanewaarde van de WTO);

f) "prijs af fabriek" in de lijsten in de bijlagen 15, 19 en 20: de prijs af fabriek die aan de fabrikant in wiens onderneming de laatste be- of verwerking is verricht, voor het produkt is betaald, voor zover in die prijs de waarde van alle gebruikte materialen is begrepen, verminderd met alle binnenlandse belastingen die, wanneer het verkregen produkt wordt uitgevoerd, worden of kunnen worden terugbetaald;

g) "waarde" in de lijsten in de bijlagen 15, 19 en 20: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen of, indien deze niet bekend is noch kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor deze materialen in de Gemeenschap of in het betrokken begunstigde land in de zin van artikel 67, lid 1, in de betrokken begunstigde Republiek, respectievelijk in het betrokken begunstigde gebied in de zin van artikel 98, lid 1, is betaald. Indien de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong moet worden vastgesteld, zijn de bepalingen in dit punt van overeenkomstige toepassing;

h) "hoofdstukken" en "posten": de hoofdstukken en posten (viercijfer-codes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerde systeem vormt;

i) "ingedeeld": term welke verwijst naar de indeling van een produkt of materiaal onder een bepaalde post;

j) "zending": produkten die gelijktijdig door eenzelfde exporteur naar eenzelfde geadresseerde worden verzonden of vervoerd onder dekking van één enkel vervoersdocument van de exporteur tot bij de geadresseerde, of, bij gebreke van dat document onder dekking van één enkele factuur.

Afdeling 1

Algemeen preferentieel systeem

Onderafdeling 1

Definitie van het begrip "produkten van oorsprong"

Artikel 67

1. Voor de toepassing van de bepalingen inzake tariefpreferenties die door de Gemeenschap zijn toegekend voor produkten van oorsprong uit de ontwikkelingslanden, hierna "begunstigde landen" genoemd, worden de volgende produkten als produkten van oorsprong uit een begunstigd land beschouwd:

a) geheel en al in dat land verkregen produkten in de zin van artikel 68;

b) in dat begunstigde land verkregen produkten, bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a) bedoelde produkten zijn verwerkt, mits deze produkten een be- of verwerking hebben ondergaan die in de zin van artikel 69 toereikend is.

2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling worden produkten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van lid 3 als produkten van oorsprong uit een begunstigd land beschouwd wanneer zij in dat begunstigde land verderreikende be- of verwerkingen ondergaan dan die welke in artikel 70 zijn opgesomd.

3. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing om de oorsprong van in de Gemeenschap verkregen produkten vast te stellen.

4. In de mate waarin Noorwegen en Zwitserland voor produkten van oorsprong uit de in lid 1 bedoelde begunstigde landen algemene tariefpreferenties toekennen en zij een definitie van "oorsprong" toepassen welke met die van deze afdeling overeenstemt, worden produkten van oorsprong uit de Gemeenschap, uit Noorwegen of uit Zwitserland die in een begunstigd land verderreikende be- of verwerkingen ondergaan dan die welke in artikel 70 zijn omschreven, als van oorsprong uit dat begunstigde land beschouwd.

Het eerste lid is slechts van toepassing op produkten van oorsprong uit de Gemeenschap, uit Noorwegen of uit Zwitserland (in de zin van de oorsprongregels met betrekking tot de betrokken tariefpreferenties) die rechtstreeks naar de begunstigde landen worden uitgevoerd.

De Commissie maakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen de datum bekend waarop de in dit lid voorziene bepalingen van toepassing worden.

5. De bepalingen van lid 4 zijn van toepassing mits Noorwegen en Zwitserland volgens het wederkerigheidsbeginsel aan de produkten uit de Gemeenschap dezelfde behandeling toekennen.

Artikel 68

1. Als "geheel en al in een begunstigd land of in de Gemeenschap verkregen" worden beschouwd:

a) aldaar uit de bodem of uit de zee- of oceaanbodem gewonnen produkten;

b) aldaar geoogste produkten van het plantenrijk;

c) aldaar geboren en gefokte levende dieren;

d) produkten afkomstig van aldaar gefokte levende dieren;

e) voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;

f) produkten van de zeevisserij en andere, door hun schepen buiten hun territoriale wateren uit de zee gewonnen produkten;

g) uitsluitend uit de onder f) bedoelde produkten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigde produkten;

h) aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen;

i) van aldaar verrichte fabrieksbewerkingen afkomstig afval en schroot;

j) van of uit de buiten hun territoriale wateren gelegen zee- of oceaanbodem of uit de ondergrond daarvan gewonnen produkten, voor zover zij met het oog op de ontginning ervan exclusieve rechten over deze zee- of oceaanbodem of op de ondergrond daarvan uitoefenen;

k) goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met j) bedoelde produkten worden vervaardigd.

2. De in lid 1, onder f) en g), gebezigde termen "hun schepen" en "hun fabrieksschepen" zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

- die in een begunstigd land of in een Lid-Staat worden ingeschreven of geregistreerd;

- die de vlag van een begunstigd land of van een Lid-Staat voeren;

- die voor ten minste 50 procent aan onderdanen van het begunstigde land of van de Lid-Staten toebehoren of aan een vennootschap die haar hoofdkantoor in dat land of in een van deze Staten heeft en waarvan de bedrijfsvoerder(s), de voorzitter van de raad van beheer of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdanen zijn van het begunstigde land of van de Lid-Staten, en waarvan bovendien, in het geval van vennootschappen, ten minste de helft van het kapitaal aan dat begunstigde land of aan deze Lid-Staten of aan openbare lichamen of onderdanen van dat begunstigde land of van deze Lid-Staten toebehoort;

- waarvan de kapitein en de officieren onderdanen van het begunstigde land of van de Lid-Staten zijn, en

- waarvan de bemanning voor ten minste 75 procent uit onderdanen van het begunstigde land of van de Lid-Staten bestaat.

3. Onder "begunstigd land" en "Gemeenschap" worden ook de territoriale wateren van dat land of die van de Lid-Staten verstaan.

4. Schepen waarmee in volle zee wordt gevist, in het bijzonder de fabrieksschepen aan boord waarvan de gevangen vis wordt be- of verwerkt, worden geacht deel uit te maken van het grondgebied van het begunstigde land of van dat van de Lid-Staat waartoe zij behoren, voor zover zij aan de voorwaarden van lid 2 voldoen.

Artikel 69

1. Voor de toepassing van artikel 67 worden materialen die niet van oorsprong zijn, geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan, indien het verkregen produkt onder een andere post wordt ingedeeld dan die waaronder de bij de vervaardiging ervan gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen worden ingedeeld, onder voorbehoud van het bepaalde in lid 2.

2. Voor een produkt dat in de kolommen 1 en 2 van de lijst in bijlage 15 is vermeld, moet in plaats van aan het bepaalde in lid 1 aan de in kolom 3 van die lijst vermelde voorwaarden voor dit produkt worden voldaan.

Artikel 70

De volgende be- of verwerkingen worden als ontoereikend beschouwd om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 69, lid 1, wordt voldaan:

a) behandelingen welke dienen om de produkten tijdens het vervoer en de opslag ervan in goede staat te bewaren (luchten, uitspreiden, drogen, koelen, in water zetten waaraan zout, zwaveldioxide of andere produkten zijn toegevoegd, verwijderen van beschadigde gedeelten en soortgelijke verrichtingen);

b) eenvoudige verrichtingen zoals stofvrij maken, zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van "sets" van artikelen), wassen, verven en snijden;

c) i) het veranderen van verpakkingen, splitsen en samenvoegen van colli,

ii) het eenvoudig bottelen, vullen van flacons, verpakken in zakken, etuis, dozen of blikken, het bevestigen op kaartjes of plankjes, enz., en alle andere eenvoudige opmaakverrichtingen;

d) het aanbrengen van merken, etiketten of soortgelijke onderscheidingstekens op de produkten zelf of op de verpakkingen ervan;

e) het eenvoudig mengen van produkten, ook van verschillende soorten, indien een of meer bestanddelen van het mengsel niet aan de voorwaarden van deze afdeling voldoen om als produkten van oorsprong uit een begunstigd land of uit de Gemeenschap te kunnen worden beschouwd;

f) het eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig produkt;

g) twee of meer van de onder a) tot en met f) vermelde behandelingen, respectievelijk verrichtingen te zamen;

h) het slachten van dieren.

Artikel 71

1. In afwijking van artikel 69 mogen niet van oorsprong zijnde materialen bij de vervaardiging van een bepaald produkt worden gebruikt, mits de totale waarde van die materialen niet hoger is dan 5 % van de prijs af fabriek van het eindprodukt en onder voorbehoud van het bepaalde in aantekening 3.4 van bijlage 14.

2. Lid 1 is niet van toepassing op produkten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem worden ingedeeld.

Artikel 72

1. Om te bepalen of een produkt, dat is vervaardigd in een begunstigd land dat lid is van een regionale groepering, van oorsprong uit dat land is in de zin van artikel 67, worden, in afwijking van dat artikel, de bij de vervaardiging van dat produkt gebruikte produkten die van oorsprong zijn uit enig ander land van die regionale groepering, behandeld als waren zij van oorsprong uit het land waar de vervaardiging van bedoeld produkt is geschied (regionale cumulatie).

2. Het land van oorsprong van het eindprodukt wordt bepaald overeenkomstig artikel 72 bis.

3. Regionale cumulatie wordt toegepast bij drie afzonderlijke regionale groeperingen van landen die voor het Systeem van Algemene Preferenties in aanmerking komen:

a) de Associatie van Zuidoostaziatische Staten (ASEAN) (Brunei-Darussalam, Filippijnen, Indonesië, Maleisië, Singapore, Thailand en Vietnam);

b) de Centraalamerikaanse Gemeenschappelijke Markt (CACM) (Costa Rica, Honduras, Guatemala, Nicaragua, El Salvador);

c) de Andes-Gemeenschap (Bolivia, Colombia, Ecuador, Peru, Venezuela).

4. Onder "regionale groepering" wordt, naar gelang van het geval, verstaan, de ASEAN, de CACM of de Andes-Gemeenschap.

Artikel 72 bis

1. Wanneer produkten van oorsprong uit een land van een regionale groepering in een ander land van die regionale groepering een be- of verwerking hebben ondergaan, is het land van oorsprong dat waar de laatste be- of verwerking is geschied, mits:

a) de aldaar toegevoegde waarde, zoals in lid 3 omschreven, hoger is dan de hoogste douanewaarde van de gebruikte produkten van oorsprong uit een van de andere landen van de regionale groepering, en

b) de aldaar geschiede be- of verwerking verderreikend is dan die van artikel 70 en, wat textielprodukten betreft, ook verderreikend dan de in bijlage 16 bedoelde bewerkingen.

2. Wanneer niet aan de in lid 1, onder a) en b), omschreven voorwaarden wordt voldaan, hebben de produkten de oorsprong van dat land van de regionale groepering vanwaar de produkten van oorsprong zijn die, van de uit andere landen van die regionale groepering komende en gebruikte produkten van oorsprong, de hoogste douanewaarde hebben.

3. Onder "toegevoegde waarde" wordt verstaan, de prijs van een produkt af fabriek verminderd met de douanewaarde van elk van de daarin verwerkte produkten van oorsprong uit een ander land van de regionale groepering.

4. Het bewijs van het karakter van produkt van oorsprong van goederen die uit een land van een regionale groepering naar een ander land van dezelfde groepering worden uitgevoerd om nadien daar voor een be- of verwerking te worden gebruikt, of om van daaruit zonder dat enige be- of verwerking geschiedt, weer te worden uitgevoerd, wordt geleverd door een in het eerstbedoelde land afgegeven certificaat van oorsprong, formulier A.

5. Het overeenkomstig artikel 72, het onderhavige artikel en artikel 72 ter verkregen of behouden karakter van produkt van oorsprong wordt voor goederen die uit een land van een regionale groepering naar de Gemeenschap worden uitgevoerd, bewezen door een certificaat van oorsprong, formulier A, of door een factuurverklaring die in dat land is afgegeven, respectievelijk opgesteld aan de hand van een overeenkomstig lid 4 afgegeven certificaat van oorsprong, formulier A.

6. Het land van oorsprong wordt in vak 12 van het certificaat van oorsprong, formulier A, of op de factuurverklaring vermeld. Dit land is:

- het land van vervaardiging, in het geval van uitvoer zonder be- of verwerking in de zin van lid 4,

- het volgens lid 1 vastgestelde land van oorsprong, voor goederen die worden uitgevoerd nadat zij bijkomende be- of verwerkingen hebben ondergaan.

Artikel 72 ter

1. De artikelen 72 en 72 bis zijn slechts van toepassing indien:

a) de bepalingen ter regeling van het handelsverkeer in het kader van de regionale cumulatie tussen de landen van de regionale groepering gelijk zijn aan die van deze afdeling;

b) elk land van de regionale groepering zich ertoe heeft verbonden de voorschriften van deze afdeling in acht te nemen of in acht te doen nemen en aan de Gemeenschap en de andere landen van de regionale groepering de nodige administratieve medewerking verlenen om te waarborgen dat de afgifte van de certificaten van oorsprong, formulier A, en de controle op deze certificaten en op de factuurverklaringen correct verlopen.

Deze verbintenis wordt de Commissie langs de weg van het secretariaat van de betrokken regionale groepering medegedeeld.

Deze secretariaten zijn, naar gelang van het geval:

- het algemeen secretariaat van de ASEAN;

- het permanente secretariaat van de CACM;

- de Junta del Acuerdo de Cartagena.

2. De Commissie deelt de Lid-Staten voor elke regionale groepering mede wanneer aan de in lid 1 gestelde voorwaarden is voldaan.

3. Artikel 78, lid 1, onder b), is niet van toepassing op produkten van oorsprong uit landen van de regionale groepering die over het grondgebied van een ander land van de regionale groepering worden vervoerd, ook indien daar aanvullende be- of verwerkingen worden verricht.

Artikel 73

Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en van de normale uitrusting daarvan deel uitmaken en in de prijs daarvan zijn begrepen of niet afzonderlijk worden gefactureerd, worden geacht met het betrokken materieel, respectievelijk met de betrokken machines, apparaten of voertuigen één geheel te vormen.

Artikel 74

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit zowel artikelen van oorsprong als artikelen die dat niet zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de artikelen die niet van oorsprong zijn, niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 75

Om te bepalen of een produkt van "oorsprong" is, is het niet noodzakelijk de oorsprong vast te stellen van de volgende elementen die bij de vervaardiging ervan gebruikt mochten zijn:

a) energie en brandstof;

b) installaties en uitrusting;

c) machines en werktuigen;

d) goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het produkt niet voorkomen en ook niet zijn bestemd om daarin voor te komen.

Artikel 76

1. Aan de minst ontwikkelde landen die voor het Systeem van Algemene Preferenties in aanmerking komen, kunnen afwijkingen van de bepalingen van deze afdeling worden verleend, indien dit op grond van de ontwikkeling van bestaande of de vestiging van nieuwe industrieën gerechtvaardigd is. Deze minst ontwikkelde begunstigde landen worden vermeld in de EG-verordeningen van de Raad en in de EGKS-beschikking betreffende de toepassing van de algemene tariefpreferenties voor het lopende jaar. Het betrokken land dient hiertoe bij de Commissie een aanvraag in die wordt gestaafd met een overeenkomstig lid 3 opgesteld dossier.

2. Bij de behandeling van de aanvraag wordt met name rekening gehouden met:

a) gevallen waarin de toepassing van de bestaande oorsprongregels aan de mogelijkheden van een in dat land gevestigde industrie om haar uitvoer naar de Gemeenschap voort te zetten, ernstig afbreuk zou doen, en met name met gevallen waarin de toepassing van die regels tot bedrijfsbeëindigingen zou kunnen leiden;

b) specifieke gevallen waarin duidelijk kan worden aangetoond dat belangrijke investeringen in een bepaalde industrie door de oorsprongregels zouden kunnen worden ontmoedigd en waar een afwijking die de verwezenlijking van een investeringsprogramma bevordert, zou toelaten om gefaseerd aan die regels te voldoen;

c) de economische en sociale weerslag van de te nemen besluiten in de begunstigde landen en in de Gemeenschap, met name op het gebied van de werkgelegenheid.

3. Om de behandeling van de aanvragen om afwijking te vergemakkelijken, dient het aanvragende land ter staving ervan zo volledig mogelijke inlichtingen te verstrekken, met name ten aanzien van de volgende punten:

- omschrijving van het eindprodukt;

- aard en hoeveelheid van de materialen van oorsprong uit derde landen;

- fabricageprocedés;

- toegevoegde waarde;

- aantal werknemers in de betrokken onderneming;

- verwachte omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap;

- andere mogelijkheden om grondstoffen te verkrijgen;

- motivering van de gevraagde duur van de afwijking;

- andere opmerkingen.

4. De Commissie legt de aanvraag om een afwijking voor aan het Comité. De beslissing hieromtrent wordt genomen volgens de procedure van het Comité.

5. Indien de afwijking wordt toegestaan, dient in vak 4 van het certificaat van oorsprong, formulier A, of in de in artikel 90 bedoelde factuurverklaring de volgende aantekening te worden aangebracht:

"Afwijking - Verordening (EG) nr. . . ."

6. De leden 1 tot en met 5 zijn eveneens van toepassing op eventuele verlengingen.

Artikel 77

De in deze afdeling met betrekking tot de verkrijging van het karakter van produkt van oorsprong omschreven voorwaarden moeten zonder onderbreking in het begunstigde land of in de Gemeenschap worden vervuld.

Indien goederen van oorsprong, die uit het begunstigde land of uit de Gemeenschap naar een ander land worden uitgevoerd, daarnaar terugkeren, mogen zij niet meer als goederen van oorsprong worden beschouwd, tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan worden aangetoond dat:

- de teruggekeerde goederen dezelfde zijn als de goederen welke waren uitgevoerd, en

- zij tijdens het verblijf ervan in dat land geen verderreikende behandelingen hebben ondergaan dan hetgeen ter verzekering van het behoud ervan in goede staat noodzakelijk was.

Artikel 78

1. Als rechtstreeks vervoerd van het begunstigde land van uitvoer naar de Gemeenschap of van de Gemeenschap naar het begunstigde land worden beschouwd:

a) goederen waarvan het vervoer niet over het grondgebied van een ander land geschiedt, met uitzondering, indien artikel 72 toepassing vindt, van een ander land van dezelfde regionale groepering;

b) goederen die één enkele zending vormen en over het grondgebied van andere landen dan over dat van het begunstigde land of over dat van de Gemeenschap worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag in deze landen, voor zover zij onder toezicht van de douaneautoriteiten van het land van doorvoer of opslag zijn gebleven en aldaar geen andere verrichtingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of enige andere behandeling om deze goederen in goede staat te behouden;

c) goederen die over het grondgebied van Noorwegen of van Zwitserland worden vervoerd en die vervolgens, geheel of gedeeltelijk, naar de Gemeenschap worden wederuitgevoerd, voor zover zij in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douaneautoriteiten zijn gebleven en aldaar geen andere verrichtingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of enige andere behandeling om deze goederen in goede staat te behouden;

d) goederen die zonder onderbreking per pijpleiding via een ander grondgebied dan dat van het begunstigde land of dat van de Gemeenschap worden vervoerd.

2. Het bewijs dat aan de in lid 1, onder b) en c), omschreven voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de bevoegde douaneautoriteiten:

a) hetzij één enkel vervoerdocument onder dekking waarvan het vervoer door het land van doorvoer geschiedt;

b) hetzij een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven verklaring, waarin:

i) de goederen nauwkeurig zijn omschreven,

ii) de data zijn vermeld waarop de goederen zijn gelost en opnieuw geladen of, eventueel, zijn geladen of gelost, onder vermelding van de gebruikte schepen of van de andere gebruikte vervoermiddelen, en

iii) een verklaring betreffende de voorwaarden waarop de goederen in het land van doorvoer verbleven;

c) hetzij, bij gebrek aan bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

Artikel 79

1. De in artikel 67 bedoelde tariefpreferenties zijn van toepassing op produkten die vanuit een begunstigd land naar een tentoonstelling in een ander land worden verzonden en voor invoer in de Gemeenschap zijn verkocht, mits deze aan de in deze afdeling omschreven voorwaarden voldoen om als produkten van oorsprong uit dat begunstigde land te worden beschouwd en voor zover ten genoegen van de bevoegde douaneautoriteiten van de Gemeenschap wordt aangetoond dat:

a) een exporteur deze produkten rechtstreeks vanuit het begunstigde land naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden;

b) deze exporteur de produkten aan een geadresseerde in de Gemeenschap heeft verkocht of overgedragen;

c) deze produkten in dezelfde staat als die waarin zij naar de tentoonstelling werden verzonden, naar de Gemeenschap zijn overgebracht;

d) de produkten, vanaf het tijdstip waarop zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om aldaar te worden vertoond.

2. Het certificaat van oorsprong, formulier A, wordt op de gewone wijze bij de douaneautoriteiten van de Gemeenschap ingediend. Op dit certificaat worden naam en adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen ten aanzien van de aard van de produkten en de voorwaarden waarop zij werden tentoongesteld, bijkomende bewijsstukken worden verlangd.

3. Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse produkten worden gehouden, en gedurende welke de betrokken produkten onder douanetoezicht blijven.

Onderafdeling 2

Bewijs van de oorsprong

Artikel 80

Produkten van oorsprong uit de begunstigde landen komen voor het bepaalde in deze afdeling in aanmerking op vertoon van:

a) ofwel een certificaat van oorsprong, formulier A, waarvan het model in bijlage 17 is opgenomen,

b) ofwel, in de in artikel 90, lid 1, bedoelde gevallen, een verklaring van de exporteur op de factuur, op de pakbon of op een ander handelsdocument waarin de betrokken produkten op een voldoende nauwkeurige wijze zijn omschreven om deze te kunnen identificeren, hierna "factuurverklaring" genoemd, en waarvan de tekst in bijlage 18 is opgenomen.

a) Certificaat van oorsprong, formulier A

Artikel 81

1. De produkten van oorsprong in de zin van deze afdeling komen bij invoer in de Gemeenschap voor de in artikel 67 bedoelde tariefpreferenties in aanmerking, mits zij in de zin van artikel 78 rechtstreeks naar de Gemeenschap zijn vervoerd, onder overlegging van een certificaat van oorsprong, formulier A, dat door de douaneautoriteiten of door andere bevoegde overheidsinstanties van het begunstigde land is afgegeven, mits dit land:

- de Commissie de bij artikel 93 vereiste informatie heeft verstrekt;

- de Gemeenschap bijstand verleent door aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staten de mogelijkheid te bieden de echtheid van het document of de juistheid van de inlichtingen omtrent de werkelijke oorsprong van de betrokken produkten na te gaan.

2. Een certificaat van oorsprong, formulier A, wordt slechts afgegeven wanneer het als het bewijsstuk voor de toepassing van de in artikel 67 bedoelde tariefpreferenties kan dienen.

3. Een certificaat van oorsprong, formulier A, wordt afgegeven op schriftelijk verzoek van de exporteur of van zijn gemachtigde vertegenwoordiger.

4. De exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger voegt bij zijn aanvraag alle stukken waarmee kan worden aangetoond dat de uit te voeren produkten voor de afgifte van een certificaat van oorsprong, formulier A, in aanmerking kunnen komen.

5. Het certificaat wordt afgegeven door de bevoegde overheidsinstantie van het begunstigde land indien de uit te voeren produkten als van oorsprong in de zin van onderafdeling 1 kunnen worden beschouwd. Het certificaat staat de exporteur ter beschikking zodra de goederen daadwerkelijk worden uitgevoerd of zodra het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd.

6. Om na te gaan of aan de voorwaarde van lid 5 is voldaan, kan de bevoegde overheidsinstantie elk bewijsstuk opvragen en elke controle verrichten die zij dienstig acht.

7. De bevoegde overheidsinstantie van het begunstigde land ziet erop toe dat de certificaten en de aanvraagformulieren correct worden ingevuld.

8. Het is niet verplicht om vak 2 van het certificaat van oorsprong, formulier A, in te vullen. Vak 12 van dit certificaat dient verplicht de vermelding "Europese Gemeenschap" of de naam van een Lid-Staat te bevatten.

9. De datum van afgifte van het certificaat van oorsprong, formulier A, wordt in vak 11 vermeld. Dit vak, dat voor de bevoegde overheidsinstantie die het formulier afgeeft, is gereserveerd, dient met de hand te worden ondertekend.

Artikel 82

1. Het certificaat van oorsprong, formulier A, moet binnen tien maanden na de afgiftedatum door de bevoegde overheidsinstantie van het begunstigde land worden overgelegd bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer waar de goederen worden aangebracht.

2. Certificaten van oorsprong, formulier A, die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde geldigheidstermijn bij de douaneautoriteiten van de Gemeenschap worden overgelegd, mogen met het oog op de toepassing van de in artikel 67 bedoelde tariefpreferenties worden aanvaard wanneer de niet-inachtneming van die termijn aan buitengewone omstandigheden is te wijten.

3. In andere gevallen van laattijdige indiening mogen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer deze certificaten aanvaarden indien de produkten vóór het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

4. Op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer gestelde voorwaarden is het toegestaan dat voor goederen die:

a) in het kader van regelmatige en voortdurende transacties die een aanzienlijke handelswaarde vertegenwoordigen, worden ingevoerd,

b) het voorwerp vormen van hetzelfde koopcontract, waarvan de partijen bij dat contract in het land van uitvoer en in de Gemeenschap zijn gevestigd,

c) onder dezelfde achtcijfer-code van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld,

d) van eenzelfde exporteur afkomstig zijn, voor eenzelfde importeur zijn bestemd en waarvoor de invoerformaliteiten in hetzelfde douanekantoor van de Gemeenschap worden afgehandeld,

bij de invoer van de eerste zending slechts één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten wordt overgelegd. Deze procedure is van toepassing op de door de bevoegde douaneautoriteiten vastgestelde hoeveelheden en gedurende een door deze autoriteiten vastgestelde periode, die in geen geval langer dan drie maanden mag zijn.

Artikel 83

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, goederen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in de zin van algemene regel 2 a) voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XVI en XVII of onder de posten 7308 en 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt bij de invoer van de eerste deelzending één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend.

Artikel 84

Daar het certificaat van oorsprong, formulier A, het bewijsstuk vormt voor de toepassing van de in artikel 67 vervatte bepalingen inzake tariefpreferenties, is het de taak van de bevoegde overheidsinstantie van het land van uitvoer de nodige maatregelen te treffen om de oorsprong van de produkten en de overige vermeldingen op het certificaat te controleren.

Artikel 85

De bewijzen inzake de oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer op de bij artikel 62 van het Wetboek voorgeschreven wijze overgelegd. Deze autoriteiten kunnen een vertaling van dit certificaat verlangen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de produkten aan de voor de toepassing van deze afdeling vereiste voorwaarden voldoen.

Artikel 86

1. In afwijking van artikel 81, lid 5, kan het certificaat van oorsprong, formulier A, bij uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft:

a) indien dit niet, wegens een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden, bij de uitvoer is gebeurd, of

b) ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat een certificaat van oorsprong, formulier A, is afgegeven, maar dat het bij de invoer om technische redenen niet werd aanvaard.

2. De bevoegde overheidsinstantie kan eerst tot afgifte achteraf van een certificaat overgaan na te hebben nagegaan of de gegevens in de aanvraag van de exporteur met die in het desbetreffende uitvoerdossier overeenstemmen en of er bij de uitvoer van de betrokken produkten geen certificaat van oorsprong, formulier A, dat aan de voorwaarden van deze afdeling voldoet, is afgegeven.

3. Op de achteraf afgegeven certificaten van oorsprong, formulier A, moet in vak 4 de aantekening "délivré a posteriori" of "issued retrospectively" zijn aangebracht.

Artikel 87

1. In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat van oorsprong, formulier A, mag de exporteur de bevoegde overheidsinstantie die dit certificaat heeft afgegeven, verzoeken om aan de hand van de uitvoerdocumenten die in haar bezit zijn, een duplicaat op te maken. In vak 4 van het aldus afgegeven duplicaat wordt het woord "duplicata" of "duplicate" vermeld alsmede de datum van afgifte en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat.

2. Voor de toepassing van artikel 82 is het duplicaat vanaf dezelfde dag geldig als die van het oorspronkelijke certificaat.

Artikel 88

1. Indien produkten van oorsprong onder toezicht van een douanekantoor in de Gemeenschap zijn geplaatst, kan het initiële bewijs van oorsprong door een of meer certificaten van oorsprong, formulier A, worden vervangen om deze produkten, of sommige ervan, naar een andere plaats in de Gemeenschap of naar Zwitserland of naar Noorwegen te verzenden. De vervangingscertificaten van oorsprong, formulier A, worden afgegeven door het douanekantoor waar de goederen onder toezicht worden geplaatst.

2. Het certificaat dat met toepassing van lid 1 of met toepassing van artikel 89 ter vervanging wordt afgegeven, geldt voor de daarin omschreven produkten als definitief certificaat van oorsprong. Het vervangende certificaat wordt opgemaakt op schriftelijk verzoek van degene die de goederen wederuitvoert.

3. In het vak in de rechterbovenhoek van het vervangingscertificaat wordt de naam van het land van doorvoer waar het is afgegeven, vermeld.

In vak 4 moet één van de volgende aanduidingen worden vermeld: "certificat de remplacement" of "replacement certificate", alsmede de datum van afgifte en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat van oorsprong.

In vak 1 moet de naam van degene die de goederen wederuitvoert, worden vermeld.

In vak 2 mag de naam van degene voor wie de goederen uiteindelijk zijn bestemd, worden vermeld.

In de vakken 3 tot en met 9 moeten alle gegevens met betrekking tot de wederuitgevoerde produkten van het oorspronkelijke certificaat worden overgenomen.

Verwijzingen naar de factuur van degene die de produkten wederuitvoert, moeten in vak 10 worden opgenomen.

De douaneautoriteit die het vervangingscertificaat afgeeft, brengt in vak 11 haar visum aan. De verantwoordelijkheid van deze douaneautoriteit reikt niet verder dan de opstelling van het vervangingscertificaat. De vermeldingen in vak 12 betreffende het land van oorsprong en dat van bestemming worden van het oorspronkelijke certificaat overgenomen. Degene die de goederen wederuitvoert, brengt in dit vak zijn handtekening aan. Wanneer hij zijn handtekening te goeder trouw plaatst, is hij voor de juistheid van de vermeldingen op het oorspronkelijke certificaat niet verantwoordelijk.

4. Het douanekantoor dat het vervangingscertificaat bedoeld in lid 1 afgeeft, vermeldt op het oorspronkelijke certificaat gewicht, aantal en aard van de wederverzonden colli alsmede de volgnummers van het overeenkomstige vervangingscertificaat, respectievelijk van de overeenkomstige vervangingscertificaten. Het oorspronkelijke certificaat wordt ten minste drie jaar door het betrokken douanekantoor bewaard.

5. Bij het vervangingscertificaat mag een fotokopie van het oorspronkelijke certificaat worden gevoegd.

6. Indien goederen op grond van de in artikel 76 bedoelde afwijking met gebruikmaking van de in artikel 67 bedoelde tariefpreferenties in de Gemeenschap worden ingevoerd, is de in het onderhavige artikel bedoelde procedure slechts op de voor de Gemeenschap bestemde goederen van toepassing.

Artikel 89

Produkten van oorsprong in de zin van deze afdeling komen bij invoer in de Gemeenschap voor de in artikel 67 bedoelde tariefpreferenties in aanmerking op vertoon van een vervangingscertificaat van oorsprong, formulier A, dat door de douaneautoriteiten van Noorwegen of van Zwitserland is afgegeven aan de hand van een door de bevoegde autoriteiten van het begunstigde land van oorsprong afgegeven certificaat van oorsprong, formulier A, voor zover aan de voorwaarden van artikel 78 wordt voldaan en voor zover Noorwegen of Zwitserland de Gemeenschap bijstand verleent door haar douaneautoriteiten toe te staan de echtheid en de juistheid van de afgegeven certificaten te controleren. De in artikel 94 omschreven controleprocedure is van overeenkomstige toepassing. De in artikel 94, lid 3, genoemde termijn wordt op acht maanden gesteld.

b) Factuurverklaring

Artikel 90

1. Een factuurverklaring mag worden opgesteld:

a) door een toegelaten exporteur in de Gemeenschap in de zin van artikel 90 bis;

b) door iedere exporteur voor elke zending bestaande uit een of meer colli met produkten van oorsprong waarvan de totale waarde niet meer dan 3 000 ecu bedraagt, mits de bij artikel 81, lid 1, bedoelde bijstand ook op deze procedure van toepassing is.

2. Een factuurverklaring mag worden opgesteld indien de produkten als "van oorsprong" uit de Gemeenschap of een begunstigd land kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van deze afdeling wordt voldaan.

3. De exporteur die een factuurverklaring opstelt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten of van de overheidsinstanties van het land van uitvoer steeds in staat zijn de geëigende documenten voor te leggen waaruit blijkt dat de betrokken produkten "van oorsprong" zijn en dat aan de andere voorwaarden van deze afdeling wordt voldaan.

4. De factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage 18 is opgenomen, wordt, in het Frans of in het Engels, door de exporteur op de factuur, op de pakbon of op een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt. De factuurverklaring mag ook met de hand worden geschreven. In dat geval moet dit met inkt en in blokletters gebeuren.

5. De factuurverklaringen worden door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 90 bis behoeft deze verklaringen echter niet te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten of de overheidsinstanties een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor elke factuurverklaring die hem identificeert als ware deze eigenhandig door hem ondertekend.

6. Voor de in lid 1, onder b), genoemde gevallen is het gebruik van een factuurverklaring aan de volgende bijzondere voorwaarden onderworpen:

a) voor elke zending wordt een factuurverklaring opgesteld;

b) indien in het exporterende land reeds is gecontroleerd of de goederen die deel uitmaken van de zending, aan de voorwaarden voldoen om als produkt van oorsprong te worden beschouwd, mag de exporteur in de factuurverklaring van deze controle melding maken.

De bepalingen van de eerste alinea stellen de exporteur, in voorkomend geval, niet vrij van de vervulling van andere formaliteiten uit hoofde van de douane- of postwetgeving.

Artikel 90 bis

1. De douaneautoriteiten van de Gemeenschap kunnen een exporteur, hierna "toegelaten exporteur" genoemd, die veelvuldig communautaire produkten in de zin van artikel 67, lid 2, verzendt en die ten genoegen van de douaneautoriteiten de nodige waarborgen biedt ten aanzien van de controle van het karakter van produkt van oorsprong van de produkten en de naleving van alle andere voorwaarden van deze afdeling, machtigen factuurverklaringen op te stellen, ongeacht de waarde van de betrokken produkten.

2. De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van de door hen passend geachte voorwaarden.

3. Het nummer van de douanevergunning die de douaneautoriteiten aan de toegelaten exporteur toekennen, moet in de factuurverklaring worden vermeld.

4. De douaneautoriteiten controleren het gebruik dat de toegelaten exporteur van de vergunning maakt.

5. De douaneautoriteiten kunnen steeds de vergunning intrekken. Zij zijn daartoe verplicht wanneer de toegelaten exporteur niet langer de in lid 1 bedoelde waarborgen biedt, niet langer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet of op enigerlei wijze misbruik van de vergunning maakt.

Artikel 90 ter

1. Het bewijs van het karakter van produkten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van artikel 67, lid 2, wordt geleverd door overlegging van:

a) hetzij een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage 21 is opgenomen,

b) hetzij de in artikel 90 bedoelde verklaring.

2. De exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger vermeldt in vak 2 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 de woorden "pays bénéficiaires du SPG" en "CE", dan wel "GSP beneficiary countries" en "EC".

3. De bepalingen van deze afdeling betreffende de afgifte, het gebruik en de controle achteraf van certificaten van oorsprong, formulier A, zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en, met uitzondering van de bepalingen inzake de afgifte, op de factuurverklaringen.

Artikel 90 quater

1. Produkten die in kleine zendingen van particulier aan particulier worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, worden voor de toepassing van de in artikel 67 bedoelde tariefpreferenties als produkten van oorsprong toegelaten zonder een certificaat van oorsprong, formulier A, of een factuurverklaring te behoeven over te leggen, voor zover het om invoer gaat waaraan ieder handelskarakter vreemd is, en verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van deze afdeling voldoen en er over de juistheid van een dergelijke verklaring geen twijfel bestaat.

2. Als invoer waaraan ieder handelskarakter vreemd is, wordt beschouwd, de invoer van incidentele aard die uitsluitend uit produkten voor het persoonlijke gebruik van de geadresseerde, van de reiziger of van de leden van hun gezin bestaat, voor zover aard noch hoeveelheid van die produkten op commerciële doeleinden wijzen.

Voorts mag de totale waarde niet meer bedragen dan 215 ecu wat kleine zendingen, of 600 ecu wat de persoonlijke bagage van reizigers betreft.

Artikel 91

1. Wanneer artikel 67, leden 2, 3 of 4, van toepassing is, nemen de bevoegde autoriteiten van het begunstigde land waarbij een certificaat van oorsprong, formulier A, wordt aangevraagd voor produkten bij de vervaardiging waarvan materialen van oorsprong uit de Gemeenschap, uit Noorwegen of uit Zwitserland worden gebruikt, het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of, in voorkomend geval, de factuurverklaring in aanmerking.

2. Vak 4 van de certificaten van oorsprong, formulier A, die in het in lid 1 bedoelde geval worden afgegeven, dient de vermelding "cumul CE", "cumul Norvège", "cumul Suisse", respectievelijk "EC Cumulation", "Norway cumulation", "Switzerland cumulation" te bevatten.

Artikel 92

Indien tussen de gegevens op een certificaat van oorsprong, formulier A, op een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of op een factuurverklaring en die op de documenten welke met het oog op het vervullen van de invoerformaliteiten aan het douanekantoor worden overgelegd, geringe verschillen worden vastgesteld, leidt dat louter feit niet tot ongeldigheid van het certificaat of van de verklaring, wanneer wordt vastgesteld dat het met de aangeboden goederen overeenstemt.

Kennelijke vormfouten zoals typefouten in een certificaat van oorsprong, formulier A, in een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of in een factuurverklaring leiden er niet toe dat het document wordt geweigerd indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij over de juistheid van de in deze documenten vermelde gegevens twijfel doen rijzen.

Onderafdeling 3

Methoden van administratieve samenwerking

Artikel 93

1. De begunstigde landen doen de Commissie toekomen: de namen en adressen van de zich op hun grondgebied bevindende overheidsinstanties die bevoegd zijn voor de afgifte van certificaten van oorsprong, formulier A, de specimens van de afdrukken van de door deze instanties gebruikte stempels, alsmede de namen en adressen van de bevoegde overheidsinstanties die met de controle van de certificaten van oorsprong, formulier A, en van de factuurverklaringen zijn belast. Deze stempels zijn geldig vanaf de datum van ontvangst ervan door de Commissie. De Commissie geeft deze inlichtingen door aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staten. Indien dergelijke gegevens als bijwerking van reeds eerder gedane mededelingen worden toegezonden, deelt de Commissie de datum van ingang van de geldigheid van de nieuwe stempels mede, volgens de aanwijzingen die de bevoegde autoriteiten van de begunstigde landen hebben verstrekt. Deze gegevens zijn vertrouwelijk. Bij het in het vrije verkeer brengen van goederen staan de betrokken douaneautoriteiten echter toe dat invoerders of hun vertegenwoordigers de specimens van de in dit lid genoemde stempelafdrukken raadplegen.

2. De Commissie maakt in de C-serie van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen de datum bekend waarop de nieuwe begunstigde landen in de zin van artikel 97 aan de in de lid 1 omschreven verplichtingen hebben voldaan.

3. De Commissie verstrekt de begunstigde landen specimens van de afdrukken van de stempels die door de douaneautoriteiten van de Lid-Staten bij afgifte van EUR.1-certificaten worden gebruikt.

Artikel 93 bis

Met het oog op de toepassing van de bepalingen inzake de in artikel 67 genoemde tariefpreferenties nemen de begunstigde landen de regels betreffende de oorsprong van de goederen, voor het opstellen en afgeven van certificaten van oorsprong, formulier A, voor het gebruik van factuurverklaringen en de methoden van administratieve samenwerking in acht of zien erop toe dat deze in acht worden genomen.

Artikel 94

1. De controle achteraf van de certificaten van oorsprong, formulier A, en de factuurverklaringen wordt door middel van steekproeven verricht of telkens wanneer de douaneautoriteiten in de Gemeenschap gegronde redenen hebben om aan de echtheid van de documenten of aan de juistheid van de gegevens inzake de werkelijke oorsprong van de betrokken produkten te twijfelen.

2. Voor de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten in de Gemeenschap een kopie van het certificaat van oorsprong, formulier A, of van de factuurverklaring terug aan de bevoegde overheidsinstantie in het begunstigde land van uitvoer, in voorkomend geval onder vermelding van de formele of materiële redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Bij de kopie van het certificaat, formulier A, of van de factuurverklaring wordt, indien zij zijn overgelegd, de factuur of een kopie ervan of enig ander bewijsstuk gevoegd. De douaneautoriteiten geven voorts alle gegevens door die konden worden verkregen en waardoor de indruk wordt gewekt dat de op bedoeld certificaat of op de bedoelde factuurverklaring aangebrachte gegevens onjuist zijn.

Indien de betrokken autoriteiten besluiten de in artikel 67 bedoelde tariefpreferenties in afwachting van de resultaten van de controle op te schorten, verlenen zij de importeur vrijgave van de produkten, onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

3. Wanneer overeenkomstig lid 1 een verzoek om controle achteraf is gedaan, wordt deze controle verricht en worden de resultaten ervan binnen uiterlijk zes maanden aan de douaneautoriteiten van de Gemeenschap medegedeeld. Aan de hand van deze resultaten moet kunnen worden vastgesteld of het betwiste certificaat van oorsprong, formulier A, of de betwiste factuurverklaring op de werkelijk uitgevoerde produkten betrekking heeft en of deze produkten daadwerkelijk voor de in artikel 67 bedoelde tariefpreferenties in aanmerking kunnen komen.

4. Voor de certificaten van oorsprong, formulier A, die overeenkomstig artikel 91 zijn afgegeven, wordt bij het antwoord een kopie, respectievelijk kopieën, gevoegd van het certificaat (de certificaten) inzake goederenverkeer EUR.1 of, in voorkomend geval, van de factuurverklaring(en) die daarmee overeenkomt, respectievelijk overeenkomen.

5. Indien bij gegronde twijfel binnen de in lid 3 bedoelde termijn van zes maanden geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord ontoereikende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de produkten vast te stellen, wordt aan de bevoegde autoriteiten een tweede schrijven gezonden. Indien de resultaten van de controle na dit tweede schrijven niet binnen vier maanden aan de aanvragende autoriteiten worden medegedeeld of indien deze geen uitsluitsel geven over de echtheid van het document of over de oorsprong van de produkten, weigeren deze autoriteiten de toekenning van de tariefpreferenties, behoudens buitengewone omstandigheden.

Het bepaalde in de eerste alinea is van overeenkomstige toepassing tussen landen van dezelfde regionale groepering ten behoeve van de controle achteraf van de certificaten van oorsprong, formulier A, en van de factuurverklaringen die overeenkomstig deze afdeling werden afgegeven of opgesteld.

6. Indien er bij controle of op grond van enigerlei andere beschikbare informatie aanwijzingen lijken te bestaan dat op de bepalingen van deze afdeling inbreuk wordt gemaakt, stelt het begunstigde land van uitvoer, op eigen initiatief of op verzoek van de Gemeenschap, met de nodige spoed een onderzoek in of laat het een onderzoek verrichten teneinde dergelijke inbreuken vast te stellen en herhaling ervan te voorkomen. De Gemeenschap kan te dien einde aan dergelijke onderzoeken deelnemen.

7. Voor de controle achteraf van certificaten van oorsprong, formulier A, worden de kopieën van deze certificaten en eventueel de daarop betrekking hebbende uitvoerdocumenten door de bevoegde overheidsinstantie van het begunstigde land van uitvoer gedurende ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 95

Artikel 78, lid 1, onder c), en artikel 89 zijn slechts van toepassing voor zover Noorwegen en Zwitserland in het kader van de door hen toegekende tariefpreferenties voor bepaalde produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden, bepalingen toepassen die gelijkaardig zijn aan die van de Gemeenschap.

De Commissie stelt de douaneautoriteiten van de Lid-Staten van de vaststelling van deze bepalingen door Noorwegen en door Zwitserland in kennis en deelt de datum van het van toepassing worden mede van de in artikel 78, lid 1, onder c), en in artikel 89 bedoelde bepalingen en van de gelijkaardige bepalingen die Noorwegen en Zwitserland hebben vastgesteld.

Deze bepalingen zijn van toepassing voor zover de Gemeenschap, Noorwegen en Zwitserland een overeenkomst hebben gesloten waarin onder meer is voorzien dat de partijen elkaar op het gebied van administratieve samenwerking de nodige bijstand verlenen.

Onderafdeling 4

Ceuta en Melilla

Artikel 96

1. De in deze afdeling gebruikte term "Gemeenschap" omvat niet Ceuta en Melilla. Onder "produkten van oorsprong uit de Gemeenschap" zijn de produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla niet begrepen.

2. De bepalingen van deze afdeling zijn van overeenkomstige toepassing om vast te stellen of in Ceuta en in Melilla ingevoerde produkten als "van oorsprong" uit het in het kader van het Systeem van Algemene Preferenties begunstigde land van uitvoer of als van oorsprong uit Ceuta en Melilla kunnen worden beschouwd.

3. Ceuta en Melilla worden als één grondgebied beschouwd.

4. De bepalingen van deze afdeling betreffende de afgifte, het gebruik en de controle achteraf van certificaten van oorsprong, formulier A, zijn op de produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla van overeenkomstige toepassing.

5. De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van deze afdeling in Ceuta en Melilla.

Onderafdeling 5

Slotbepaling

Artikel 97

Wanneer een land of gebied wordt toegelaten of opnieuw wordt toegelaten als begunstigde van het Systeem van Algemene Preferenties, voor de in de EG-verordeningen van de Raad of in de EGKS-beschikking vermelde produkten, komen de goederen van oorsprong uit dat land of gebied voor de voordelen van dit systeem in aanmerking, mits zij vanaf de in artikel 93, lid 2, bedoelde datum uit dat land of gebied worden uitgevoerd.

Afdeling 2

Republieken Bosnië-Herzegovina en Kroatië, Federale Republiek Joegoslavië, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, gebieden van de Westelijke Jordaanoever en de Gaza-strook

Onderafdeling 1

Omschrijving van het begrip "produkten van oorsprong"

Artikel 98

1. Voor de toepassing van de bepalingen inzake tariefpreferenties van de Gemeenschap ten gunste van produkten van oorsprong uit de Republieken Bosnië-Herzegovina en Kroatië, uit de Federale Republiek Joegoslavië, uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, uit de gebieden van de Westelijke Jordaanoever en de Gaza-strook, hierna "begunstigde Republieken of gebieden" genoemd, worden de volgende produkten als produkten van oorsprong uit een begunstigde Republiek, respectievelijk begunstigd gebied beschouwd:

a) geheel en al in die Republiek of in dat gebied verkregen produkten, in de zin van artikel 99;

b) in die Republiek of in dat gebied verkregen produkten, waarin andere dan de onder a) bedoelde produkten zijn verwerkt, mits deze produkten een be- of verwerking hebben ondergaan die in de zin van artikel 100 toereikend is.

2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling worden produkten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van lid 3 als produkten van oorsprong uit een begunstigde Republiek of uit een begunstigd gebied beschouwd wanneer zij in die begunstigde Republiek of in dat begunstigde gebied verderreikende be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die bedoeld in artikel 101.

3. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing om de oorsprong van in de Gemeenschap verkregen produkten vast te stellen.

Artikel 99

1. Als geheel en al in een begunstigde Republiek, in een begunstigd gebied of in de Gemeenschap verkregen, worden beschouwd:

a) aldaar uit de bodem of uit de zee- of oceaanbodem gewonnen produkten;

b) aldaar geoogste produkten van het plantenrijk;

c) aldaar geboren en gefokte levende dieren;

d) produkten afkomstig van aldaar gefokte levende dieren;

e) voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;

f) produkten van de zeevisserij en andere, door hun schepen buiten hun territoriale wateren uit de zee gewonnen produkten;

g) uitsluitend uit de onder f) bedoelde produkten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigde produkten;

h) aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen;

i) van aldaar verrichte fabrieksbewerkingen afkomstig afval en schroot;

j) van of uit de buiten hun territoriale wateren gelegen zee- of oceaanbodem of de ondergrond daarvan gewonnen produkten, voor zover zij met het oog op de ontginning ervan exclusieve rechten over deze zeebodem of op de ondergrond daarvan uitoefenen;

k) goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met j) bedoelde produkten worden vervaardigd.

2. De in lid 1, onder f) en g), gebezigde termen "hun schepen" en "hun fabrieksschepen" zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

- die in de begunstigde Republiek, in een begunstigd gebied of in een Lid-Staat worden ingeschreven of geregistreerd;

- die de vlag van een begunstigde Republiek, van een begunstigd gebied of van een Lid-Staat voeren;

- die voor ten minste 50 procent aan onderdanen van een begunstigde Republiek, van een begunstigd gebied of van Lid-Staten toebehoren of aan een vennootschap die haar hoofdkantoor in een van deze Republieken, gebieden of Staten heeft en waarvan de bedrijfsvoerder(s), de voorzitter van de raad van bestuur of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdanen zijn van een van die begunstigde Republieken, gebieden of Lid-Staten, en waarvan bovendien, in het geval van vennootschappen, ten minste de helft van het kapitaal aan deze begunstigde Republieken, gebieden of Lid-Staten of aan openbare lichamen of onderdanen van deze Republieken, gebieden of Lid-Staten toebehoort;

- waarvan de kapitein en de officieren onderdanen van een begunstigd land, van een begunstigd gebied of van een Lid-Staat zijn, en

- waarvan de bemanning voor ten minste 75 procent uit onderdanen van een begunstigde republiek, een begunstigd gebied of een Lid-Staat bestaat.

3. Onder "begunstigde Republiek of begunstigd gebied" en "Gemeenschap" worden ook de territoriale wateren van die begunstigde Republieken, respectievelijk begunstigde gebieden of die van de Lid-Staten verstaan.

4. Schepen waarmee in volle zee wordt gevist, in het bijzonder de fabrieksschepen aan boord waarvan de gevangen produkten worden be- of verwerkt, worden geacht deel uit te maken van het grondgebied van de begunstigde Republieken, respectievelijk begunstigde gebieden of van dat van de Lid-Staat waartoe zij behoren, voor zover zij aan de voorwaarden van lid 2 voldoen.

Artikel 100

1. Voor de toepassing van artikel 98 worden materialen die niet van oorsprong zijn, geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan, indien het verkregen produkt onder een andere post wordt ingedeeld dan die waaronder de bij de vervaardiging ervan gebruikte, niet van oorsprong zijnde materialen worden ingedeeld, onder voorbehoud van het bepaalde in lid 2.

2. Voor een produkt dat is vermeld in de kolommen 1 en 2 van de lijst:

- in bijlage 19 voor de gebieden van de Westelijke Jordaanoever en de Gaza-strook, of

- in bijlage 20 voor de Republieken Bosnië-Herzegovina en Kroatië, voor de Federale Republiek Joegoslavië en voor de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,

moet in plaats van aan het bepaalde in lid 1 aan de in kolom 3 van die lijst vermelde voorwaarden voor dit produkt worden voldaan.

Artikel 101

De volgende be- of verwerkingen worden als ontoereikend beschouwd om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 100, lid 1, wordt voldaan:

a) behandelingen welke dienen om de produkten tijdens het vervoer en de opslag ervan in goede staat te bewaren (luchten, uitspreiden, drogen, koelen, in water zetten waaraan zout, zwaveldioxide of andere produkten zijn toegevoegd, verwijderen van beschadigde gedeelten en soortgelijke verrichtingen);

b) eenvoudige verrichtingen zoals stofvrij maken, zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen), wassen, verven en snijden;

c) i) het veranderen van verpakkingen, splitsen en samenvoegen van colli,

ii) het eenvoudig bottelen, vullen van flacons, verpakken in zakken, etuis, dozen of blikken, het bevestigen op kaartjes of plankjes, enz., en alle andere eenvoudige verrichtingen;

d) het aanbrengen van merken, etiketten of soortgelijke onderscheidingstekens op de produkten zelf of op de verpakkingen ervan;

e) het eenvoudig mengen van produkten, ook van verschillende soorten, indien een of meer bestanddelen van het mengsel niet aan de voorwaarden van deze afdeling voldoen om als produkten van oorsprong uit een begunstigde Republiek, respectievelijk begunstigd gebied of uit de Gemeenschap te kunnen worden beschouwd;

f) het eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig produkt;

g) twee of meer van de onder a) tot en met f) vermelde behandelingen, respectievelijk verrichtingen te zamen;

h) het slachten van dieren.

Artikel 102

1. In afwijking van artikel 100 mogen niet van oorsprong zijnde materialen bij de vervaardiging van een bepaald produkt worden gebruikt, mits de totale waarde van die materialen niet hoger is dan 5 % van de prijs af fabriek van het eindprodukt en onder voorbehoud van de voorwaarden van aantekening 3.4 van bijlage 14.

2. Lid 1 is niet van toepassing op produkten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem worden ingedeeld.

Artikel 103

Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting ervan en in de prijs ervan zijn begrepen of niet afzonderlijk worden gefactureerd, worden geacht met het betrokken materieel, respectievelijk met de betrokken machines, apparaten of voertuigen één geheel te vormen.

Artikel 104

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit artikelen van oorsprong en artikelen die niet van oorsprong zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de artikelen die niet van oorsprong zijn, niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 105

Om te bepalen of een produkt "van oorsprong" is, is het niet noodzakelijk de oorsprong vast te stellen van de volgende elementen die bij de vervaardiging ervan gebruikt mochten zijn:

a) energie en brandstof;

b) installaties en uitrusting;

c) machines en werktuigen;

d) goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het produkt niet voorkomen en ook niet zijn bestemd om daarin voor te komen.

Artikel 106

De in deze afdeling met betrekking tot de verkrijging van het karakter van produkt van oorsprong omschreven voorwaarden moeten zonder onderbreking in de begunstigde Republiek, respectievelijk in het begunstigde gebied of in de Gemeenschap zijn vervuld.

Indien goederen van oorsprong, die uit de begunstigde Republiek, respectievelijk uit het begunstigde gebied of uit de Gemeenschap naar een ander land zijn uitgevoerd, daarnaar terugkeren, mogen zij niet meer als goederen van oorsprong worden beschouwd, tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan worden aangetoond dat:

- de teruggekeerde goederen dezelfde zijn als de goederen welke waren uitgevoerd, en

- zij tijdens het verblijf ervan in dat land geen verderreikende behandelingen hebben ondergaan dan hetgeen ter verzekering van het behoud ervan in goede staat noodzakelijk was.

Artikel 107

1. Als rechtstreeks vervoerd van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigde gebied naar de Gemeenschap of van de Gemeenschap naar de begunstigde Republiek, respectievelijk naar het begunstigde gebied worden beschouwd:

a) goederen waarvan het vervoer niet over het grondgebied van een ander land geschiedt;

b) goederen die één enkele zending vormen en die over het grondgebied van andere landen dan over dat van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigde gebied of van de Gemeenschap worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag in deze landen, voor zover zij in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane zijn gebleven en aldaar geen andere verrichtingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden, noch enige andere behandeling om deze in goede staat te behouden;

c) goederen die zonder onderbreking per pijpleiding via een ander grondgebied dan dat van de begunstigde Republiek, respectievelijk dat van het begunstigde gebied of van de Gemeenschap worden vervoerd.

2. Het bewijs dat aan de in lid 1, onder b), omschreven voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de bevoegde douaneautoriteiten:

a) hetzij een enkel vervoerdocument onder dekking waarvan het vervoer door het land van doorvoer geschiedt;

b) hetzij een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven verklaring, waarin:

- de goederen nauwkeurig zijn omschreven,

- de data zijn vermeld waarop de goederen zijn gelost en opnieuw geladen of, eventueel, zijn geladen of gelost, onder vermelding van de gebruikte schepen of van de andere gebruikte vervoermiddelen,

- een verklaring betreffende de voorwaarden waarop de produkten in het land van doorvoer verbleven;

c) hetzij, bij gebrek aan bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

Artikel 108

1. De in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties zijn van toepassing op produkten die vanuit een begunstigde Republiek of een begunstigd gebied naar een tentoonstelling in een ander land worden verzonden en voor invoer in de Gemeenschap zijn verkocht, mits deze aan de in deze afdeling omschreven voorwaarden voldoen om als produkten van oorsprong uit die begunstigde Republiek, respectievelijk uit dat begunstigde gebied te worden beschouwd en voor zover ten genoegen van de bevoegde douaneautoriteiten van de Gemeenschap wordt aangetoond dat:

a) een exporteur deze produkten rechtstreeks vanuit de begunstigde Republiek, respectievelijk vanuit het begunstigde gebied naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden;

b) deze exporteur de produkten aan een geadresseerde in de Gemeenschap heeft verkocht of overgedragen;

c) deze produkten in dezelfde staat als die waarin zij naar de tentoonstelling werden verzonden, naar de Gemeenschap zijn overgebracht;

d) de produkten, vanaf het tijdstip waarop zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om aldaar te worden vertoond.

2. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt op de gewone wijze bij de douaneautoriteiten van de Gemeenschap ingediend. Op dit certificaat worden naam en adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen ten aanzien van de aard van de produkten en de voorwaarden waarop zij werden tentoongesteld, bijkomende bewijsstukken worden verlangd.

3. Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse produkten worden gehouden, en gedurende welke de betrokken produkten onder douanetoezicht blijven.

Onderafdeling 2

Bewijs van de oorsprong

Artikel 109

Produkten van oorsprong uit de begunstigde Republieken of gebieden komen voor het bepaalde in deze afdeling in aanmerking op vertoon van:

a) ofwel een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage 21 is opgenomen,

b) ofwel, in de in artikel 117, lid 1, bedoelde gevallen, een verklaring van de exporteur op de factuur, op de pakbon of op een ander handelsdocument waarin de betrokken produkten op een voldoende nauwkeurige wijze zijn omschreven om deze te kunnen identificeren (hierna "factuurverklaring" genoemd), en waarvan de tekst in bijlage 22 is opgenomen.

a) Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

Artikel 110

1. De produkten van oorsprong in de zin van deze afdeling komen bij invoer in de Gemeenschap voor de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties in aanmerking, mits zij in de zin van artikel 107 rechtstreeks naar de Gemeenschap zijn vervoerd, onder overlegging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 dat is afgegeven door:

- de douaneautoriteiten of overheidsinstanties van Bosnië-Herzegovina en van Kroatië, van de Federale Republiek Joegoslavië of van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, of

- door de Kamers van Koophandel van de gebieden van de Westelijke Jordaanoever en de Gaza-strook,

mits die bevoegde autoriteiten van genoemde begunstigde Republieken of begunstigde gebieden:

- de Commissie de bij artikel 121 vereiste informatie hebben verstrekt;

- de Gemeenschap bijstand verlenen door aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staten de mogelijkheid te bieden de echtheid van het document of de juistheid van de inlichtingen omtrent de werkelijke oorsprong van de betrokken produkten na te gaan.

2. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt slechts afgegeven wanneer het als het bewijsstuk voor de toepassing van de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties kan dienen.

3. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven op schriftelijk verzoek van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger. Deze aanvraag wordt op het formulier gesteld waarvan het model in bijlage 21 is opgenomen en dat overeenkomstig het bepaalde in deze onderafdeling is ingevuld.

De aanvragen voor certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 moeten ten minste drie jaar door de bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigde gebied worden bewaard.

4. De exporteur of zijn vertegenwoordiger voegt bij zijn aanvraag alle stukken waarmee kan worden aangetoond dat de uit te voeren produkten voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 in aanmerking kunnen komen.

Hij verbindt zich ertoe op aanvraag van de bevoegde autoriteiten alle bijkomende bewijsstukken over te leggen die deze noodzakelijk achten om de juistheid na te gaan van de oorsprong van de produkten waarvoor tariefpreferenties worden aangevraagd, en elke controle van zijn boekhouding door deze autoriteiten te aanvaarden, alsmede dat zij de omstandigheden onderzoeken waaronder deze produkten zijn verkregen.

5. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigde gebied of door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer indien de uit te voeren produkten als van oorsprong in de zin van deze afdeling kunnen worden beschouwd.

6. Daar het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 het bewijsstuk voor de toepassing van de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties vormt, dienen de bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigde gebied, of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer de nodige maatregelen te nemen om de oorsprong van de produkten en de op het certificaat vermelde gegevens te verifiëren.

7. Om na te gaan of aan de voorwaarden van lid 5 is voldaan, kunnen de bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigde gebied elk bewijsstuk opvragen en elke controle verrichten die zij dienstig achten.

8. De bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigde gebied, of de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde formulieren correct worden ingevuld.

9. De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt in het voor de douaneautoriteiten gereserveerde deel van dat certificaat vermeld.

10. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt, bij de uitvoer van de produkten waarop het betrekking heeft, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigde gebied, of door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer. Het wordt de exporteur ter beschikking gesteld zodra de uitvoer van de goederen daadwerkelijk gebeurt of het gewaarborgd is dat dat zal gebeuren.

Artikel 111

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, goederen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat in de zin van algemene regel 2 a) voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XVI en XVII of onder de posten 7308 en 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt bij de invoer van de eerste deelzending één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend.

Artikel 112

De bewijzen inzake de oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer op de bij artikel 62 van het Wetboek voorgeschreven wijze overgelegd. Deze autoriteiten kunnen van dit certificaat een vertaling verlangen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de produkten aan de voor de toepassing van deze afdeling vereiste voorwaarden voldoen.

Artikel 113

1. In afwijking van artikel 110, lid 10, kan het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, bij uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft:

a) indien dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd, of

b) ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is afgegeven, maar dat het bij de invoer om technische redenen niet werd aanvaard.

2. De bevoegde autoriteiten kunnen eerst tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben nagegaan of de gegevens in de aanvraag van de exporteur met die in het desbetreffende uitvoerdossier overeenstemmen en of er bij de uitvoer van de betrokken produkten geen certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, dat aan de voorwaarden van deze afdeling voldoet, is afgegeven.

3. Op de achteraf afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 moet een van de volgende aantekeningen zijn aangebracht:

"EXPEDIDO A POSTERIORI", "UDSTEDT EFTERFØLGENDE", "NACHTRÄGLICH AUSGESTELLT", "ÅÊÄÏÈÅÍ ÅÊ ÔÙÍ ÕÓÔÅÑÙÍ", "ISSUED RETROSPECTIVELY" "DELIVRE A POSTERIORI", "RILASCIATO A POSTERIORI", "AFGEGEVEN A POSTERIORI", "EMITIDO A POSTERIORI", "ANNETTU JÄLKIKÄTEEN", "UTFÄRDAT I EFTERHAND".

4. De in lid 3 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak "Opmerkingen" van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

Artikel 114

1. In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, kan de exporteur de bevoegde autoriteiten die dit certificaat hebben afgegeven, verzoeken om aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn, een duplicaat op te maken.

2. Op het aldus afgegeven duplicaat moet een van de volgende aantekeningen zijn aangebracht:

"DUPLICADO", "DUPLIKAT", "DUPLIKAT", "ÁÍÔÉÃÑÁÖÏ", "DUPLICATE", "DUPLICATA", "DUPLICATO", "DUPLICAAT", "SEGUNDA VIA", "KAKSOISKAPPALE", "DUPLIKÁT".

3. De in lid 2 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak "Opmerkingen" van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

4. Het duplicaat draagt dezelfde datum als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 en is vanaf die dag geldig.

Artikel 115

Indien produkten van oorsprong onder toezicht van een douanekantoor in de Gemeenschap zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van de oorsprong door een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, worden vervangen om deze produkten, of sommige ervan, naar een andere plaats in de Gemeenschap te verzenden. De vervangingscertificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden afgegeven door het douanekantoor waar de goederen onder toezicht worden geplaatst.

Artikel 116

1. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is vijf maanden geldig te rekenen vanaf de datum van afgifte in de begunstigde Republiek, respectievelijk in het begunstigde gebied of in de Gemeenschap en moet binnen diezelfde termijn worden ingediend bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of bij die van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigde gebied waar de goederen worden ingevoerd.

2. Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat worden overgelegd, kunnen met het oog op de toepassing van de tariefpreferenties worden aanvaard wanneer de laattijdige indiening het gevolg is van buitengewone omstandigheden.

3. In andere gevallen van laattijdige indiening bedoeld in lid 2, kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer de certificaten EUR.1 aanvaarden wanneer de produkten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

b) Factuurverklaring

Artikel 117

1. Een factuurverklaring mag worden opgesteld:

a) door een toegelaten exporteur in de zin van artikel 118;

b) door iedere exporteur voor elke zending bestaande uit een of meer colli met produkten van oorsprong waarvan de totale waarde niet meer dan 3 000 ecu bedraagt, mits de bij artikel 110, lid 1, bedoelde bijstand ook op deze procedure van toepassing is.

2. Een factuurverklaring mag worden opgesteld indien de produkten als "van oorsprong" uit de Gemeenschap, uit een begunstigde Republiek, respectievelijk uit een begunstigd gebied kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van deze afdeling wordt voldaan.

3. De exporteur die een factuurverklaring opstelt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten van de Gemeenschap, of van de bevoegde autoriteiten van een begunstigde Republiek, respectievelijk van een begunstigd gebied, steeds in staat zijn de geëigende documenten voor te leggen waaruit blijkt dat de betrokken produkten "van oorsprong" zijn en dat aan de andere voorwaarden van deze afdeling wordt voldaan.

4. Deze factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage 22 is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, op de pakbon of op een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in één van de in deze bijlage opgenomen taalversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. De factuurverklaring mag ook met de hand worden geschreven. In dat geval moet dit met inkt en in blokletters gebeuren.

5. De factuurverklaringen worden door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 118 behoeft deze verklaringen echter niet te ondertekenen, mits hij de bevoegde autoriteiten een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor elke factuurverklaring die hem identificeert als ware deze eigenhandig door hem ondertekend.

6. Voor de in lid 1, onder b), genoemde gevallen is het gebruik van een factuurverklaring aan de volgende bijzondere voorwaarden onderworpen:

a) voor elke zending wordt een factuurverklaring opgesteld;

b) indien in de begunstigde Republiek, respectievelijk in het begunstigde gebied reeds is gecontroleerd of de goederen die deel uitmaken van de zending, aan de voorwaarden voldoen om als produkt van oorsprong te worden beschouwd, mag de exporteur van deze controle melding maken.

De bepalingen van de eerste alinea stellen de exporteur, in voorkomend geval, niet vrij van de vervulling van andere formaliteiten uit hoofde van de douane- of postwetgeving.

Artikel 118

1. De douaneautoriteiten van de Gemeenschap kunnen een exporteur, hierna "toegelaten exporteur" genoemd, die veelvuldig communautaire produkten in de zin van artikel 98, lid 2, verzendt en die ten genoegen van de douaneautoriteiten de nodige waarborgen biedt ten aanzien van de controle van het karakter van produkt van oorsprong van de produkten en de naleving van alle andere voorwaarden van deze afdeling, machtigen factuurverklaringen op te stellen, ongeacht de waarde van de betrokken goederen.

2. De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van de door hen passend geachte voorwaarden.

3. Het nummer van de douanevergunning die de douaneautoriteiten aan de toegelaten exporteur toekennen, moet in de factuurverklaring worden vermeld.

4. De douaneautoriteiten controleren het gebruik dat de toegelaten exporteur van de vergunning maakt.

5. De douaneautoriteiten kunnen de vergunning steeds intrekken. Zij zijn daartoe verplicht wanneer de toegelaten exporteur niet langer de in lid 1 bedoelde waarborgen biedt, niet langer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet of op enigerlei wijze misbruik van de vergunning maakt.

Artikel 119

1. Produkten die in kleine zendingen van particulier aan particulier worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, worden voor de toepassing van de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties als produkten van oorsprong toegelaten zonder een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een factuurverklaring te behoeven over te leggen, voor zover het om invoer gaat waaraan ieder handelskarakter vreemd is, en verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van genoemd artikel voldoen en er over de juistheid van een dergelijke verklaring geen twijfel bestaat.

2. Als invoer waaraan ieder handelskarakter vreemd is, wordt beschouwd, de invoer van incidentele aard die uitsluitend uit produkten voor het persoonlijke gebruik van de geadresseerde, van de reiziger of van de leden van hun gezin bestaat, voor zover noch aard noch hoeveelheid van die produkten op commerciële doeleinden wijzen.

Voorts mag de totale waarde niet meer bedragen dan 215 ecu wat kleine zendingen, of 600 ecu wat de persoonlijke bagage van reizigers betreft.

Artikel 120

Indien tussen de gegevens op het bewijs van oorsprong en die op de documenten die met het oog op het vervullen van de invoerformaliteiten voor de goederen aan het douanekantoor worden overgelegd, geringe verschillen worden vastgesteld, leidt dat louter feit niet tot ongeldigheid van het bewijs van oorsprong, wanneer wordt vastgesteld dat het met de aangeboden goederen overeenstemt.

Kennelijke vormfouten zoals typefouten in een bewijs van oorsprong leiden er niet toe dat het document wordt geweigerd indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij over de juistheid van de in dit document vermelde gegevens twijfel doen rijzen.

Onderafdeling 3

Methoden van administratieve samenwerking

Artikel 121

1. De begunstigde Republieken en begunstigde gebieden doen de Commissie toekomen: de namen en adressen van de zich op hun grondgebied bevindende overheidsinstanties die bevoegd zijn voor de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, de specimens van de afdrukken van de door deze instanties gebruikte stempels, alsmede de namen en adressen van de bevoegde overheidsinstanties die met de controle van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van de factuurverklaringen zijn belast. Deze stempels zijn geldig vanaf de datum van ontvangst ervan door de Commissie. De Commissie geeft deze inlichtingen door aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staten. Indien dergelijke mededelingen als bijwerking van eerder gedane mededelingen worden toegezonden, deelt de Commissie de datum van ingang van de geldigheid van de nieuwe stempels mede, volgens de aanwijzingen die de bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republieken, respectievelijk van de begunstigde gebieden hebben verstrekt. Deze gegevens zijn vertrouwelijk. Bij het in het vrije verkeer brengen van goederen staan de betrokken douaneautoriteiten echter toe dat invoerders of hun vertegenwoordigers de specimens van de in dit lid genoemde stempelafdrukken raadplegen.

2. De Commissie verstrekt de begunstigde Republieken en begunstigde gebieden specimens van de afdrukken van de stempels die door de douaneautoriteiten van de Lid-Staten bij de afgifte van de EUR.1-certificaten worden gebruikt.

Artikel 122

1. De controle achteraf van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van de factuurverklaringen wordt door middel van steekproeven verricht of telkens wanneer de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer of de bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republieken, respectievelijk van de begunstigde gebieden, gegronde redenen hebben om aan de echtheid van de documenten of aan de juistheid van de daarin vermelde gegevens te twijfelen.

2. Voor de toepassing van lid 1 zenden de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van invoer of van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigde gebied van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, de factuurverklaring of een kopie van dit certificaat, respectievelijk van deze verklaring, terug aan de bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigd gebied van uitvoer, of aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer, in voorkomend geval onder vermelding van de formele of materiële redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd.

De verzoekende autoriteiten voegen bij het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of bij de factuurverklaring ieder relevant handelsdocument of een kopie daarvan en zenden ter ondersteuning van het verzoek om controle achteraf alle documenten en informatie mee die konden worden verkregen, en die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op bedoeld certificaat of op bedoelde verklaring onjuist zijn.

Indien de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer besluiten om in afwachting van de resultaten van de controle de preferentiële behandeling op te schorten, geven zij de produkten vrij, onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

3. De douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer of de bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigd gebied worden binnen zes maanden van de resultaten van de controle in kennis gesteld. Aan de hand van deze resultaten moet kunnen worden vastgesteld of het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, respectievelijk de factuurverklaring op werkelijk uitgevoerde produkten betrekking heeft en of deze produkten daadwerkelijk voor de in artikel 98 genoemde preferenties in aanmerking kunnen komen.

4. Met het oog op de controle achteraf van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van factuurverklaringen worden de uitvoerdocumenten of de als dusdanig dienstdoende kopieën van die certificaten door de bevoegde autoriteiten van de begunstigde Republiek, respectievelijk van het begunstigd gebied, of door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer gedurende ten minste drie jaar bewaard.

5. Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na de datum van aanvraag om controle geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord ontoereikende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de produkten vast te stellen, weigeren de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd, de toekenning van de tariefpreferenties, behoudens buitengewone omstandigheden.

Onderafdeling 4

Ceuta en Melilla

Artikel 123

1. De in deze afdeling gebruikte term "Gemeenschap" omvat niet Ceuta en Melilla. Onder "produkten van oorsprong uit de Gemeenschap" zijn de produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla niet begrepen.

2. De bepalingen van deze afdeling zijn van overeenkomstige toepassing om vast te stellen of produkten als "van oorsprong" uit de met preferenties begunstigde Republiek, respectievelijk uit het met preferenties begunstigd gebied bij invoer in Ceuta en Melilla, of als van oorsprong uit Ceuta en Melilla kunnen worden beschouwd.

3. Ceuta en Melilla worden als één grondgebied beschouwd.

4. De bepalingen van deze afdeling betreffende de afgifte, het gebruik en de controle achteraf van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 zijn op de produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla van overeenkomstige toepassing.

5. De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van deze afdeling in Ceuta en Melilla.".

3. Artikel 220 wordt als volgt gelezen:"Artikel 220

1. Onverminderd andere bijzondere bepalingen worden bij de aangifte tot plaatsing onder een economische douaneregeling de volgende stukken gevoegd:

a) voor het stelsel douane-entrepots:

- in een entrepot van het type D, de in de artikelen 218, lid 1, onder a) en b), genoemde bescheiden,

- in een ander entrepot dan dat van het type D, geen enkel bescheid;

b) voor de regeling actieve veredeling:

- terugbetalingssysteem, de in artikel 218, lid 1, genoemde bescheiden,

- schorsingssysteem, de in artikel 218, lid 1, onder a) en b), genoemde bescheiden,

en, in voorkomend geval, de schriftelijke vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling of een kopie van de vergunningaanvraag, indien artikel 556, lid 1, tweede alinea, van toepassing is;

c) voor de regeling behandeling onder douanetoezicht, de in artikel 218, lid 1, onder a) en b), genoemde bescheiden en, in voorkomend geval, de schriftelijke vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling;

d) voor de regeling tijdelijke invoer:

- met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten, de in de artikel 218, lid 1, genoemde bescheiden,

- de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten, de in artikel 218, lid 1, onder a) en b), genoemde bescheiden,

en, in voorkomend geval, de schriftelijke vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling;

e) voor de regeling passieve veredeling, de in artikel 221, lid 1, genoemde bescheiden en, in voorkomend geval, de schriftelijke vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling of een kopie van de vergunningaanvraag, indien artikel 751, lid 1, tweede alinea, van toepassing is.

2. Artikel 218, lid 2, is van toepassing op aangiften voor plaatsing onder elke economische douaneregeling.

3. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de schriftelijke vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling of de kopie van de vergunningaanvraag niet worden bijgevoegd doch ter beschikking van de douaneautoriteiten worden gehouden.".

4. Aan artikel 228 worden de volgende alineas toegevoegd:

"Deze kwitantie bevat ten minste de volgende gegevens:

a) een omschrijving van de goederen; deze moet voldoende nauwkeurig zijn om de goederen te kunnen identificeren; deze omschrijving zal, in voorkomend geval, met de vermelding van de tariefpost kunnen worden aangevuld;

b) de factuurwaarde en/of, naar gelang van het geval, de hoeveelheid van de goederen;

c) de betaalde rechten;

d) de datum van opstelling ervan;

e) de identiteit van de instantie die de kwitantie heeft afgegeven.

De Lid-Staten doen de Commissie een model toekomen van de kwitanties die voor de toepassing van dit artikel wordt gebruikt. De Commissie zal deze modellen aan de andere Lid-Staten doen toekomen.".

5. Artikel 455, lid 3, wordt als volgt gelezen:

"3. Het in lid 2 bedoelde bewijs wordt ten genoege van de douaneautoriteiten geleverd:

a) door overlegging van een door de douaneautoriteiten gewaarmerkt douane- of handelsdocument, waaruit blijkt dat de betrokken goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht. Dit document dient gegevens te bevatten ter identificatie van de goederen;

of

b) door overlegging van een douanedocument waarmee de goederen onder een douaneregeling in een derde land zijn geplaatst, dan wel een kopie of een fotokopie daarvan; deze kopie of fotokopie dient voor conform te worden gewaarmerkt, hetzij door de instantie die het origineel heeft geviseerd, hetzij door de officiële diensten van het betrokken derde land, hetzij door de officiële diensten van de Lid-Staten. Dit document dient voldoende gegevens ter identificatie van de betrokken goederen te bevatten;

of

c) wat de ATA-Overeenkomst betreft, door een van de in artikel 8 van deze Overeenkomst bedoelde bewijsmiddelen.".

6. Het volgende artikel 457 ter wordt aan deel I, titel II, hoofdstuk 9, afdeling 2, toegevoegd:

"Artikel 457 ter

1. Wanneer een TIR-transactie op dezelfde goederen betrekking heeft als die welke bij artikel 362 zijn bedoeld of, wanneer de douaneautoriteiten dit noodzakelijk achten, kan het kantoor van vertrek/kantoor van binnenkomst een te volgen route voor de betrokken goederen voorschrijven. De voorgeschreven route kan slechts op verzoek van de houder van het TIR-carnet worden gewijzigd door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de goederen zich in de loop van de voorgeschreven route bevinden. De douaneautoriteiten vermelden de ter zake doende gegevens op het TIR-carnet en lichten die van het kantoor van vertrek/kantoor van binnenkomst onverwijld in.

De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om elke overtreding en onregelmatigheid te bestrijden en deze doeltreffend te bestraffen.

2. In geval van overmacht mag de vervoerder van de voorgeschreven route afwijken. De goederen en het TIR-carnet moeten onverwijld bij de dichtstbijzijnde douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de goederen zich bevinden, worden aangeboden. De douaneautoriteiten stellen onverwijld het kantoor van vertrek/kantoor van binnenkomst van de routewijziging in kennis en vermelden de ter zake doende gegevens op het TIR-carnet.".

7. Artikel 629 wordt als volgt gelezen:

"Artikel 629

De aangifte waarmee de veredelingsprodukten of, in voorkomend geval, de onveredelde goederen, een van de in artikel 128 van het Wetboek bedoelde douanebestemmingen volgen, dient alle gegevens te bevatten die nodig zijn om een verzoek om terugbetaling te rechtvaardigen.".

8. Artikel 630 wordt als volgt gelezen:

"Artikel 630

Onverminderd de toepassing van vereenvoudigde procedures dienen de veredelingsprodukten en, in voorkomend geval, de onveredelde goederen, die zijn bestemd om een van de toegelaten douanebestemmingen genoemd in artikel 128 van het Wetboek te volgen, bij het kantoor van aanzuivering te worden aangebracht, en worden daarvoor de voor de desbetreffende bestemming voorziene douaneformaliteiten vervuld overeenkomstig de algemene bepalingen ter zake.".

9. Artikel 631, lid 1, wordt als volgt gelezen:

"1. Behoudens wanneer artikel 568 wordt toegepast, dient de aangifte van de veredelingsprodukten en, in voorkomend geval, de onveredelde goederen, voor een in artikel 128 van het Wetboek bedoelde douanebestemming bij een in de vergunning genoemd kantoor van aanzuivering te worden ingediend.".

10. Artikel 640, lid 1, onder j), wordt als volgt gelezen:

"j) de verwijzingen naar de aangiften waarmee aan de veredelingsprodukten of, in voorkomend geval, de onveredelde goederen, een van de in artikel 128 van het Wetboek bedoelde douanebestemmingen wordt gegeven;".

11. Deel IV, titel III, wordt als volgt gewijzigd:

a) Het afschrift komt te luiden:

"INVORDERING VAN HET BEDRAG VAN DE DOUANESCHULD"

b) Aan artikel 871, eerste alinea, wordt de volgende zin toegevoegd:

"Het bevat bovendien een door de persoon op wie het aan de Commissie voor te leggen geval betrekking heeft, ondertekende verklaring welke luidt dat deze persoon kennis heeft kunnen nemen van het dossier, alsmede, hetzij de vermelding dat deze persoon niets aan het dossier heeft toe te voegen, hetzij een opgave van alle bijkomende elementen die naar het oordeel van die persoon van belang zijn om in het dossier te worden opgenomen.".

c) Het volgende artikel 876 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 876 bis

1. De douaneautoriteiten schorten, tot het moment waarop zij over het verzoek een beslissing nemen, de verplichting van de schuldenaar om de rechten te voldoen op, op voorwaarde dat daarvoor, wanneer de goederen zich niet meer onder douanetoezicht bevinden, zekerheid wordt gesteld tot het beloop van de waarde van de goederen en dat:

a) in de gevallen waarin een verzoek tot ongeldigmaking van een aangifte wordt ingediend, het verzoek waarschijnlijk kan worden ingewilligd;

b) in de gevallen waarin een verzoek tot kwijtschelding uit hoofde van artikel 236 in samenhang met artikel 220, lid 2, onder b), of uit hoofde van artikel 238 of artikel 239 van het Wetboek wordt ingediend, de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de voorwaarden van de desbetreffende bepaling als verenigd zou kunnen worden beschouwd;

c) in andere dan de onder b) bedoelde gevallen, een verzoek wordt ingediend voor kwijtschelding uit hoofde van artikel 236 van het Wetboek en de voorwaarden van artikel 244, tweede alinea, van het Wetboek verenigd zijn.

Van de zekerheidstelling kan worden afgezien wanneer deze, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, tot ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen leiden.

2. De douaneautoriteiten schorten, voor goederen die onder de in artikel 233, onder c), tweede streepje, of onder d), van dat artikel van het Wetboek omschreven omstandigheden in beslag worden genomen, gedurende de periode van inbeslagneming, de verplichting van de schuldenaar op om de rechten te voldoen, wanneer zij van oordeel zijn dat de voorwaarden voor een verbeurdverklaring als verenigd kunnen worden beschouwd.".

12. Aan artikel 905, lid 2, eerste alinea wordt de volgende zin toegevoegd:

"Het dossier bevat bovendien een door de persoon die het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding indient, ondertekende verklaring welke luidt dat deze persoon kennis heeft kunnen nemen van het dossier, alsmede, hetzij de vermelding dat deze persoon niets aan het dossier heeft toe te voegen, hetzij een opgave van alle bijkomende elementen die naar het oordeel van die persoon van belang zijn om in het dossier te worden opgenomen.".

13. Bijlage I van deze verordening wordt ingevoegd als bijlage 1 bis.

14. Bijlage 11 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II van deze verordening

15. Bijlage 14 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III van deze verordening.

16. Bijlage 15 wordt vervangen door bijlage IV van deze verordening.

17. Bijlage 17 wordt vervangen door bijlage V van deze verordening.

18. Bijlage 18 wordt vervangen door bijlage VI van deze verordening.

19. Bijlage 19 wordt vervangen door bijlage VII van deze verordening.

20. Bijlage 20 wordt vervangen door bijlage VIII van deze verordening.

21. Bijlage 22 wordt vervangen door bijlage IX van deze verordening.

22. Bijlage 38 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage X van deze verordening.

23. Bijlage 87 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage XI van deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 18 december 1996.

Voor de Commissie

Mario MONTI

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 302 van 19. 10. 1992, blz. 1.

(2) PB nr. L 253 van 11. 10. 1993, blz. 1.

(3) PB nr. L 289 van 12. 11. 1996, blz. 1.

(4) PB nr. L 336 van 23. 12. 1994, blz. 1.

(5) PB nr. L 70 van 20. 3. 1996, blz. 4.

(6) PB nr. L 42 van 19. 2. 1993, blz. 34.

(7) PB nr. L 184 van 24. 7. 1996, blz. 35.

BIJLAGE I

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

BIJLAGE II

Bijlage 11 wordt als volgt gewijzigd:

De volgende regel wordt ingevoegd tussen de regels betreffende de posten "ex 8520" en "ex 8527".

"ex 8527".

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE III

Bijlage 14 wordt als volgt gewijzigd:

Voorwoord en aantekening 2.1:

De zinsnede "artikel 69, lid 1, artikel 100, lid 1, en artikel 122, lid 1", wordt vervangen door: "artikel 69, lid 1, en artikel 100, lid 1"

Aantekening 2.5:

De zinsnede "artikel 70, artikel 100, lid 3, en artikel 122, lid 3"; wordt vervangen door: "de artikelen 70 en 101".;

De woorden "Bezette Gebieden" worden vervangen door: "Gebieden van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook".

BIJLAGE IV

"BIJLAGE 15

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

"

BIJLAGE V

"BIJLAGE 17

CERTIFICAAT VAN OORSPRONG - FORMULIER A

1. Het certificaat dient overeen te stemmen met het model dat in deze bijlage is opgenomen. Het is niet verplicht de aantekeningen op de keerzijde van het certificaat in het Engels of in het Frans aan te brengen. De certificaten zelf worden in het Engels of in het Frans opgesteld. Indien een certificaat met de hand wordt ingevuld, moet dit met inkt en in blokletters gebeuren.

2. De afmetingen van het certificaat zijn 210 × 297 mm, waarbij in de lengte een afwijking van ten hoogste 8 mm meer of 5 mm minder is toegestaan. Het te gebruiken papier is wit, zodanig gelijmd dat het goed beschrijfbaar is en houtvrij, met een gewicht van ten minste 25 g/m². Het is voorzien van een groene geguillocheerde onderdruk die vervalsingen met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt.

Als het certificaat verschillende kopieën heeft, moet alleen het eerste exemplaar, dat het origineel is, van de groene, geguillocheerde onderdruk voorzien zijn.

3. Elk certificaat is van een al dan niet gedrukt volgnummer voorzien, waardoor het kan worden geïdentificeerd.

4. De certificaten waarvan het model in deze bijlage is opgenomen, worden vanaf 1 januari 1996 aanvaard. De certificaten die volgens het vroegere, van 1992 daterende model zijn vervaardigd, mogen echter nog tot en met 31 december 1997 worden voorgelegd.

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

1. Goods consigned from (exporter's business name, address, country)

2. Goods consigned to (consignee's name, address, country)

3. Means of transport and route (as far as known)

Reference No

A

GENERALIZED SYSTEM OF PREFERENCES

CERTIFICATE OF ORIGIN

(Combined declaration and certificate)

FORM A

Issued in ..........

(country)

See notes overleaf

4. For official use

5. Item number

6. Marks and numbers of packages

7. Number and kind of packages, description of goods

8. Origin criterion

(see notes overleaf)

9. Gross weight or other quantity

10. Number

and date of invoices

11. Certification

It is hereby certified, on the basis of control carried out, that the declaration by the exporter is correct.

..........

Place and date, signature and stamp of certifying authority

12. Declaration by the exporter

The undersigned hereby declares that the above details and statements are correct; that all the goods were

produced in ..........

(country)

and that they comply with the origin requirements specified for those goods in the generalized system of preferences for goods exported to

..........

(importing country)

..........

Place and date, signature of authorized signatory

NOTES (1996)

I. Countries which accept Form A for the purposes of the generalized system of preferences (GSP):

Australia*

Canada

Japan

New Zealand**

Norway

Switzerland

United States of America***

Republic of Belarus

Republic of Bulgaria

Czech Republic

Republic of Hungary

Republic of Poland

Russian Federation

Slovakia

European Union:

Austria

Belgium

Denmark

Finland

France

Germany

Greece

Ireland

Italy

Luxembourg

Netherlands

Portugal

Spain

Sweden

United Kingdom

Full details of the conditions covering admission to the GSP in these countries are obtainable from the designated authorities in the exporting preference-receiving countries or from the customs authorities of the preference-giving countries listed above. An information note is also obtainable from the UNCTAD secretariat.

II. General conditions

To qualify for preference, products must:

(a) fall within a description of products eligible for preference in the country of destination. The description entered on the form must be sufficiently detailed to enable the products to be identified by the customs officer examining them;

(b) comply with the rules of origin of the country of destination. Each article in a consignment must qualify separately in its own right; and,

(c) comply with the consignment conditions specified by the country of destination. In general, products must be consigned direct from the country of exportation to the country of destination but most preference-giving countries accept passage through intermediate countries subject to certain conditions. (For Australia, direct consignment is not necessary.)

III. Entries to be made in Box 8

Preference products must either be wholly obtained in accordance with the rules of the country of destination or sufficiently worked or processed to fulfil the requirements of that country's origin rules.

(a) Products wholly obtained: for export to all countries listed in Section I, enter the letter ''P'' in Box 8 (for Australia and New Zealand Box 8 may be left blank).

(b) Products sufficiently worked or processed: for export to the countries specified below, the entry in Box 8 should be as follows:

(1) United States of America: for single country shipments, enter the letter ''Y'' in Box 8, for shipments from recognized associations of countries, enter the letter ''Z'', followed by the sum of the cost or value of the domestic materials and the direct cost of processing, expressed as a percentage of the ex-factory price of the exported products; (example ''Y'' 35 % or ''Z'' 35 %).

(2) Canada: for products which meet origin criteria from working or processing in more than one eligible least developed country, enter letter ''G'' in Box 8; otherwise ''F''.

(3) Japan, Norway, Switzerland and the European Union: enter the letter ''W'' in box 8 followed by the Harmonized Commodity Description and coding System (Harmonized System) heading at the 4-digit level of the exported product (example ''W'' 96.18).

(4) Bulgaria, Czech Republic, Hungary, Poland, the Russian Federation and Slovakia: for products which include value added in the exporting preference-receiving country, enter the letter ''Y'' in Box 8 followed by the value of imported materials and components expressed as a percentage of the fob price of the exported products (example ''Y'' 45 %); for products obtained in a preference-receiving country and worked or processed in one or more other such countries, enter ''Pk''.

(5) Australia and New Zealand: completion of Box 8 is not required. It is sufficient that a declaration be properly made in Box 12.

* For Australia, the main requirement is the exporter's declaration on the normal commercial invoice. Form A, accompanied by the normal commercial invoice, is an acceptable alternative, but official certification is not required.

** Official certification is not required.

*** The United States does not require GSP Form A. A declaration setting forth all pertinent detailed information concerning the production or manufacture of the merchandise is considered sufficient only if requested by the district collector of Customs.

>EIND VAN DE GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

1. Expéditeur (nom, adresse, pays de l'exportateur)

2. Destinataire (nom, adresse, pays)

3. Moyen de transport et itinéraire (si connus)

Référence no

SYSTÈME GÉNÉRALISÉ DE PRÉFÉRENCES

CERTIFICAT D'ORIGINE

(Déclaration et certificat)

FORMULE A

Délivré en ..........

(pays)

Voir notes au verso

4. Pour usage officiel

5. No

d'ordre

6. Marques et numéros des colis

7. Nombre et type de colis; description des marchandises

8. Critère d'origine

(voir notes

au verso)

9. Poids brut

ou quantité

10. No et date de la facture

11. Certificat

Il est certifié, sur la base du contrôle effectué, que la déclaration de l'exportateur est exacte.

..........

Lieu et date, signature et timbre de l'autorité délivrant le certificat

12. Déclaration de l'exportateur

Le soussigné déclare que les mentions et indications cidessus sont exactes, que toutes ces marchandises ont été produites en ..........

et qu'elles remplissent les conditions d'origine requises par le système généralisé de préférences pour être exportées à destination de

..........

(nom du pays importateur)

..........

Lieu et date, signature du signataire habilité

NOTES (1996)

I. Pays qui acceptent la formule A aux fins du système généralisé de préférences (SGP):

Australie*

Canada

États-Unis d'Amérique***

Japon

Norvège

Nouvelle-Zélande**

Suisse

Fédération de Russie

République de Bélarus

République de Bulgarie

République de Hongrie

République de Pologne

République tchèque

Slovaquie

Union européenne:

Allemagne

Autriche

Belgique

Danemark

Espagne

Finlande

France

Grèce

Irlande

Italie

Luxembourg

Pays-Bas

Portugal

Royaume-Uni

Suède

Des détails complets sur les conditions régissant l'admission au bénéfice du SGP dans ces pays peuvent être obtenus des autorités désignées par les pays exportateurs bénéficiaires ou de l'administration des douanes des pays donneurs qui figurent dans la liste ci-dessus. Une note d'information peut également être obtenue du secrétariat de la CNUCED.

II. Conditions générales

Pour être admis au bénéfice des préférences, les produits doivent:

a) correspondre à la définition établie des produits pouvant bénéficier du régime de préférences dans le pays de destination. La description figurant sur la formule doit être suffisamment détaillée pour que les produits puissent être identifiés par l'agent des douanes qui les examine;

b) satisfaire aux règles d'origine du pays de destination. Chacun des articles d'une même expédition doit répondre aux conditions prescrites

et

c) satisfaire aux conditions d'expédition spécifiées par le pays de destination. En général, les produits doivent être expédiés directement du pays d'exportation au pays de destination; toutefois, la plupart des pays donneurs de préférences acceptent sous certaines conditions le passage par des pays intermédiaires (pour l'Australie, l'expédition directe n'est pas nécessaire).

III. Indications à porter dans la case 8

Pour bénéficier des préférences, les produits doivent avoir été, soit entièrement obtenus, soit suffisamment ouvrés ou transformés conformément aux règles d'origine des pays de destination.

a) Produits entièrement obtenus: pour l'exportation vers tous les pays figurant dans la liste de la section I, il y a lieu d'inscrire la lettre ''P'' dans la case 8 (pour l'Australie et la Nouvelle-Zélande, la case 8 peut être laissée en blanc).

b) Produits suffisamment ouvrés ou transformés: pour l'exportation vers les pays figurant ci-après, les indications à porter dans la case 8 doivent être les suivantes:

1. États-Unis d'Amérique: dans le cas d'expédition provenant d'un seul pays, inscrire la lettre ''Y'' ou, dans le cas d'expéditions provenant d'un groupe de pays reconnu comme un seul, la lettre ''Z'', suivie de la somme du coût ou de la valeur des matières et du coût direct de la transformation, exprimée en pourcentage du prix départ usine des marchandises exportées (exemple: ''Y'' 35 % ou ''Z'' 35 %);

2. Canada: il y a lieu d'inscrire dans la case 8 la lettre ''G'' pour les produits qui satisfont aux critères d'origine après ouvraison ou transformation dans plusieurs des pays les moins avancés; sinon, inscrire la lettre ''F'';

3. Japon, Norvège, Suisse et Union européenne: inscrire dans la case 8 la lettre ''W'' suivie de la position tarifaire à quatre chiffres occupée par le produit exporté dans le Système harmonisé de désignation et de codification des marchandises (Système harmonisé) (exemple ''W'' 96.18);

4. Bulgarie, Hongrie, Pologne, République tchèque, Fédération de Russie et Slovaquie: pour les produits avec valeur ajoutée dans le pays exportateur bénéficiaire de préférences, il y a lieu d'inscrire la lettre ''Y'' dans la case 8, en la faisant suivre de la valeur des matières et des composants importés, exprimée en pourcentage du prix fob des marchandises exportées (exemple: ''Y'' 45 %); pour les produits obtenus dans un pays bénéficiaire de préférences et ouvrés ou transformés dans un ou plusieurs autres pays bénéficiaires, il y a lieu d'inscrire les lettres ''Pk'' dans la case 8;

5. Australie et Nouvelle-Zélande: il n'est pas nécessaire de remplir la case 8. Il suffit de faire une déclaration appropriée dans la case 12.

* Pour l'Australie, l'exigence de base est une attestation de l'exportateur sur la facture habituelle. La formule A, accompagnée de la facture habituelle, peut être acceptée en remplacement, mais une certification officielle n'est pas exigée.

** Un visa officiel n'est pas exigé.

*** Les États-Unis n'exigent pas de certificat SGP Formule A. Une déclaration reprenant toute information appropriée et détaillée concernant la production ou la fabrication de la marchandise est considérée comme suffisante, et doit être présentée uniquement à la demande du receveur des douanes du district (District Collector of Customs).

>EIND VAN DE GRAFIEK>"

BIJLAGE VI

"BIJLAGE 18

Factuurverklaring

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Bij het opstellen van de factuurverklaring, waarvan de tekst hieronder is weergegeven, dient rekening te worden gehouden met de voetnoten, die echter niet in de verklaring behoeven te worden overgenomen.

Franse versie

L'exportateur des produits couverts par le présent document (autorisation douanière no . . . (1) déclare que, sauf indication claire du contraire, ces produits ont l'origine préférentielle . . . (2) au sens des règles d'origine du Système des préférences tarifaires généralisées de la Communauté européenne.

Engelse versie

The exporter of the products covered by this document (customs authorization No . . . (1)) declares that, except where otherwise clearly indicated, these products are of . . . preferential origin (2) according to rules of origin of the Generalized System of Preferences of the European Community.

..........

(Plaats en datum) (3)

..........

Handtekening van de exporteur, en diens naam in blokletters (4)

(1) Indien de factuurverklaring door een toegelaten exporteur in de zin van artikel 90bis wordt opgesteld, moet het nummer van de vergunning van die exporteur hier worden vermeld. Indien de factuurverklaring niet door een toegelaten exporteur wordt opgesteld, worden de woorden tussen haakjes weggelaten of wordt geen nummer ingevuld.

(2) Aanduiding van de oorsprong van de produkten. Indien de factuurverklaring geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla in de zin van artikel 96, moet de exporteur dit door middel van de letters 'CM` duidelijk aangeven op het document waarop de verklaring wordt opgesteld.

(3) Facultatief indien deze gegevens al in het document zelf voorkomen.

(4) Zie artikel 90, lid 5. Indien de exporteur niet behoeft te tekenen, behoeft ook de naam van de ondertekenaar niet te worden vermeld."

>EIND VAN DE GRAFIEK>

BIJLAGE VII

"BIJLAGE 19

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

"

BIJLAGE VIII

"BIJLAGE 20

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

"

BIJLAGE IX

"BIJLAGE 22

Factuurverklaring

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Bij het opstellen van de factuurverklaring, waarvan de tekst hieronder is weergegeven, dient rekening te worden gehouden met de voetnoten, die echter niet in de verklaring behoeven te worden overgenomen.

Spaanse versie

El exportador de los productos incluidos en el presente documento (autorización aduanera no . . . (1)) declara que, salvo indicación en sentido contrario, estos productos gozan de un origen preferencial . . . (2).

Deense versie

Eksportøren af varer, der er omfattet af nærværende dokument, (toldmyndighedernes tilladelse nr. . . . (1)), erklærer, at varerne, medmindre andet tydeligt er angivet, har præferenceoprindelse i . . . (2).

Duitse versie

Der Ausführer (Ermächtiger Ausführer; Bewilligungs-Nr. . . .(1)) der Waren, auf die sich dieses Handelspapier bezieht, erklärt, daß diese Waren, soweit nicht anderes angegeben, präferenzbegünstigte . . . Ursprungswaren sind (2).

Griekse versie

Ï åîáãùãÝáò ôùí ðñïúüíôùí ðïõ êáëýðôïíôáé áðü ôï ðáñüí Ýããñáöï (Üäåéá ôåëùíåßïõ õð' áñéè. . . . (1)) äçëþíåé üôé, åêôüò åÜí äçëþíåôáé óáöþò Üëëùò, ôá ðñïúüíôá áõôÜ åßíáé ðñïôéìçóéáêÞò êáôáãùãÞò . . . (2).

Engelse versie

The exporter of the products covered by this document (customs authorization No . . . (1)) declares that, except where otherwise clearly indicated, these products are of . . . preferential origin (2).

Franse versie

L'exportateur des produits couverts par le présent document (autorisation douanière no . . . (1)) déclare que, sauf indication claire du contraire, ces produits ont l'origine préférentielle . . . (2).

Italiaanse versie

L'esportatore delle merci contemplate nel presente documento (autorizzazione doganale n. . . . (1)) dichiara che, salvo indicazione contraria, le merci sono di origine preferenziale . . . (2).

Nederlandse versie

De exporteur van de goederen waarop dit document van toepassing is (douanevergunning nr. . . . (1)) verklaart dat, behoudens uitdrukkelijke andersluidende vermelding, deze goederen van preferentiële . . . oorsprong zijn (2).

Portugese versie

O abaixo assinado, exportador dos produtos cobertos pelo presente documento (autorização aduaneira nº . . . (1)), declara que, salvo expressamente indicado em contrário, estes produtos são de origem preferencial . . . (2).

Finse versie

Tässä asiakirjassa mainittujen tuotteiden viejä (tullin lupan:o . . . (1)) ilmoittaa, että nämä tuotteet ovat, ellei toisin ole selvästi merkitty, etuuskohteluun oikeutettuja . . . alkuperätuotteita (2).

Zweedse versie

Exportören av de varor som omfattas av detta dokument (tullmyndighetens tillstånd nr . . . (1)) försäkrar att dessa varor, om inte annat tydligt markerats, har förmånsberättigande . . . ursprung (2).

..........

(Plaats en datum) (3)

..........

(Handtekening van de exporteur, en diens naam in blokletters) (4)

(1) Indien de factuurverklaring door een toegelaten exporteur wordt opgesteld, moet het nummer van de vergunning van die exporteur hier worden vermeld. Indien de factuurverklaring niet door een toegelaten exporteur wordt opgesteld, worden de woorden tussen haakjes weggelaten of wordt geen nummer ingevuld.

(2) Aanduiding van de oorsprong van de produkten. Indien de factuurverklaring geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op produkten van oorsprong uit Ceuta en Melilla moet de exporteur dit door middel van de letters 'CM` duidelijk aangeven op het document waarop de verklaring wordt opgesteld.

(3) Facultatief indien deze gegevens al in het document zelf voorkomen.

(4) Zie artikel 117, lid 5. Indien de exporteur niet behoeft te tekenen, behoeft ook de naam van de ondertekenaar niet te worden vermeld."

>EIND VAN DE GRAFIEK>

BIJLAGE X

Bijlage 38 wordt als volgt gewijzigd:

De lijst van codes voor vak 51 wordt als volgt aangevuld:

">RUIMTE VOOR DE TABEL>

".

BIJLAGE XI

Het volgende punt wordt toegevoegd aan bijlage 87:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Argus Tax
ActualiteitenWetgevingBinnenkort
Praktijkgebieden▾
Indirect
Omzetbelasting (BTW)AccijnzenMilieubelastingenDouaneKansspelbelasting
Direct
VennootschapsbelastingInkomstenbelastingDividendbelastingBronbelastingMinimumbelasting (GloBE)
Loon & inhouding
LoonbelastingOverdrachtsbelastingSchenk- en erfbelastingBPM / AutobelastingenToeslagen
Formeel & overig
Formeel rechtVerrekenprijzenStaatssteunOverig
ContactAccount
Argus Tax
ActualiteitenWetgevingBinnenkortPraktijkgebieden
ContactAccount