Commission Regulation (EEC) No 1902/86 of 17 June 1986 laying down detailed rules for the application of Council Regulation (EEC) No 758/86 on the import system applicable in 1986 to products falling within subheading 07.06 A of the Common Customs Tariff and originating in third countries which are not members of GATT, consequent upon the increase in the quota
Avis juridique important
31986R1902
Verordening (EEG) nr. 1902/86 van de Commissie van 17 juni 1986 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 758/86 van de Raad betreffende de invoerregeling die voor 1986 geldt voor de produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief van oorsprong uit niet bij de GATT aangesloten derde landen, in verband met de verhoging van het contingent
Publicatieblad Nr. L 164 van 20/06/1986 blz. 0010 - 0011
***** VERORDENING (EEG) Nr. 1902/86 VAN DE COMMISSIE van 17 juni 1986 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 758/86 van de Raad betreffende de invoerregeling die voor 1986 geldt voor de produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief van oorsprong uit niet bij de GATT aangesloten derde landen, in verband met de verhoging van het contingent DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 604/83 van de Raad van 14 maart 1983 betreffende de invoerregeling die voor de jaren 1983 tot en met 1986 geldt voor de produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name op artikel 2, Overwegende dat de Raad bij Verordening (EEG) nr. 758/86 (2), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1898/86 (3), laattijdig de hoeveelheden produkten heeft vastgesteld die in 1986 in het kader van vorengenoemde regeling mogen worden ingevoerd; dat de vastgestelde hoeveelheid van 200 000 ton die op dat peil was vastgesteld om rekening te houden met een inkrimping van de uitvoer van de betrokken landen ten gevolge van natuurrampen, een aanzienlijke achteruitgang betekende ten opzichte van de voor de voorafgaande jaren geopende contingenten; dat de Raad, ten einde met de beëindiging van deze omstandigheden rekening te houden, bij Verordening (EEG) nr. 1898/86 het contingent voor het betrokken jaar heeft verhoogd tot 300 000 ton; Overwegende dat het bij de vaststelling van de uitvoeringsbepalingen dienstig is rekening te houden met de bijzondere situatie van de goederen die, in afwachting van een nieuw besluit van de Raad, vóór de datum waarop deze verordening van toepassing wordt onder de regeling van douane-entrepots of vrije zones zijn geplaatst; dat het, gelet op de bederfelijke aard van deze produkten, dienstig is in een eerste stadium een deel van het voor invoer beschikbare contingent in de betrokken regeling te reserveren voor de goederen die aan deze voorwaarden voldoen; Overwegende dat voor de produkten die niet onder de vorengenoemde regelingen zijn geplaatst, moet worden voorkomen dat een abnormaal hoog aantal aanvragen om certificaten wordt ingediend en dat daarom een maximumhoeveelheid per importeur moet worden vastgesteld; Overwegende dat, ten einde de goede werking van de in deze verordening vastgestelde regelingen te waarborgen, moet worden bepaald dat de handelaren een hoge zekerheid dienen te stellen; Overwegende dat, in afwijking van het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3656/83 van de Commissie (4) waarin uitvoeringsbepalingen van de betrokken regeling zijn neergelegd, bijzondere bepalingen moeten worden vastgesteld voor de periodes waarin de aanvragen moeten worden ingediend en waarin de aan de Commissie mede te delen gegevens moeten worden toegezonden; Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor granen, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Van de aanvullende hoeveelheid van 100 000 ton produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief van oorsprong uit derde landen die geen lid zijn van de GATT, die, ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 758/86 mogen worden ingevoerd met een heffing van ten hoogste 6 % ad valorem, worden voor ten hoogste 45 000 ton certificaten afgegeven voor produkten die zich op de dag van inwerkingtreding van deze verordening onder het stelsel van douane-entrepots of vrije zones bevinden. De aanvraag om een certificaat wordt ingediend bij de bevoegde instantie van de Lid-Staat waar de produkten zijn opgeslagen. Bij de indiening van de aanvraag toont de belanghebbende aan dat de produkten voor de invoer waarvan een certificaat wordt aangevraagd zijn opgeslagen onder de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden. Artikel 2 Voor een hoeveelheid van ten hoogste 55 000 ton worden invoercertificaten afgegeven voor produkten die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 1. De aanvragen om certificaten mogen evenwel slechts betrekking hebben op een hoeveelheid van ten hoogste 8 000 ton per belanghebbende. Artikel 3 De bij Verordening (EEG) nr. 3656/83 vastgestelde bepalingen zijn van toepassing onverminderd de bepalingen van deze verordening. Artikel 4 1. De aanvragen om invoercertificaten voor de in artikel 1 en in artikel 2 bedoelde produkten worden bij de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten ingediend - van 19 tot en met 24 juni 1986, - van 25 tot en met 27 juni 1986. Het bedrag van de bij de indiening van de certificaataanvraag te stellen zekerheid wordt vastgesteld op 120 Ecu per ton. 2. De Lid-Staten doen de Commissie per telex uiterlijk op 28 juni 1986 en op 30 juni 1986 mededeling van de hoeveelheden waarvoor certificaten zijn aangevraagd, afzonderlijk voor de in artikel 1 en de in artikel 2 bedoelde produkten, en vermelden tevens de naam van de importeur en het land van oorsprong. 3. In voorkomend geval stelt de Commissie uiterlijk op 30 juni 1986 en op 3 juli 1986 het eenvormige percentage vast waarmee de gevraagde hoeveelheden worden verminderd. In voorkomend geval bepaalt de Commissie de in artikel 1 bedoelde hoeveelheden waarvoor geen certificaten zijn afgegeven en die kunnen worden gebruikt voor de afgifte van certificaten voor in artikel 2 bedoelde produkten; in voorkomend geval kan zij hetzelfde doen voor resterende hoeveelheden van de in artikel 2 bedoelde produkten. Artikel 5 Indien ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4, lid 3, de hoeveelheid waarvoor het certificaat wordt afgegeven kleiner is dan die waarvoor het is gevraagd, wordt het deel van de zekerheid dat overeenkomt met het verschil onmiddellijk vrijgegeven. Artikel 6 Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 17 juni 1986. Voor de Commissie Frans ANDRIESSEN Vice-Voorzitter (1) PB nr. L 72 van 18. 3. 1983, blz. 3. (2) PB nr. L 72 van 15. 3. 1986, blz. 1. (3) Zie blz. 1 van dit Publikatieblad. (4) PB nr. L 361 van 24. 12. 1983, blz. 32.
