Commission Regulation (EEC) No 1218/84 of 30 April 1984 on the classification of goods under subheading 39.07 B V d) of the Common Customs Tariff
Avis juridique important
31984R1218
Verordening (EEG) nr. 1218/84 van de Commissie van 30 april 1984 betreffende de indeling van goederen onder postonderverdeling 39.07 B V d) van het gemeenschappelijk douanetarief
Publicatieblad Nr. L 117 van 03/05/1984 blz. 0016 - 0017
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 2 Deel 4 blz. 0032
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 02 Deel 10 blz. 0221
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 2 Deel 4 blz. 0032
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 02 Deel 10 blz. 0221
***** VERORDENING (EEG) Nr. 1218/84 VAN DE COMMISSIE van 30 april 1984 betreffende de indeling van goederen onder postonderverdeling 39.07 B V d) van het gemeenschappelijk douanetarief DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, Gelet op Verordening (EEG) nr. 97/69 van de Raad van 16 januari 1969 betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (1), laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van Griekenland, inzonderheid op artikel 3, Overwegende dat, ten einde de uniforme toepassing van de Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief te waarborgen, bepalingen dienen te worden vastgesteld betreffende de indeling van wasbakken die voor 30 % uit kunstmatige plastische stof (polyesterhars van het styreentype) en voor 70 % uit hoofdzakelijk kiezelhoudende vulstoffen bestaan en aan de gebruikszijde voorzien zijn van een laag doorzichtige kunstmatige plastische stof (polyester) met een dikte van 0,2 mm; Overwegende dat in het gemeenschappelijk douanetarief, dat als bijlage is gevoegd bij Verordening (EEG) nr. 950/68 van de Raad (2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1018/84 (3), post 39.07 betrekking heeft op werken van de stoffen bedoeld bij de posten 39.01 tot en met 39.06 en post 68.11 op werken van cement, van beton of van kunststeen, ook indien gewapend, werken van slakkencement of van granito daaronder begrepen; dat voor de indeling van onderhavige artikelen deze posten in overweging kunnen worden genomen; Overwegende dat die wasbakken, die in het gemeenschappelijk douanetarief moeten worden ingedeeld met inachtneming van algemene bepaling 3 b) voor de toepassing van de Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, vergelijkbaar zijn voor wat betreft hun aspect en hun samenstellend materiaal met de produkten samengesteld uit ongeveer 33 % polymethylmethacrylaat en ongeveer 66 % aluminiumhydroxide-produkten, die door de Internationale Douaneraad (47e zitting, november 1981) en door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak 234/82) zijn ingedeeld onder Hoofdstuk 39 (4); dat bovendien in het onderhavige geval de kiezelhoudende stoffen slechts vulstoffen zijn, terwijl de kunstmatige plastische stof waarmee de wasbakken aan de gebruikszijde zijn bedekt, veel meer dan enkel een bindmiddel in de zin van post 68.11 zijn en naar gebruik het belangrijkste en karakterbepalende bestanddeel van die wasbakken uitmaakt; Overwegende derhalve dat onderhavige wasbakken onder post 39.07 dienen te worden ingedeeld; dat binnen deze post onderverdeling B V d) van toepassing is; Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Wasbakken die voor 30 % uit kunstmatige plastische stof (polyesterhars van het styreentype) en voor 70 % uit hoofdzakelijk kiezelhoudende vulstoffen bestaan en aan de gebruikszijde voorzien zijn van een laag doorzichtige kunstmatige plastische stof (polyester) met een dikte van 0,2 mm worden in het gemeenschappelijk douanetarief ingedeeld onder post 39.07 Werken van de stoffen bedoeld bij de posten 39.01 tot en met 39.06: B. andere: V. van andere stoffen: d) andere. Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op de éénentwintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat. Gedaan te Brussel, 30 april 1984. Voor de Commissie Karl-Heinz NARJES Lid van de Commissie (1) PB nr. L 14 van 21. 1. 1969, blz. 1. (2) PB nr. L 172 van 22. 7. 1968, blz. 1. (3) PB nr. L 107 van 19. 4. 1984, blz. 1. (4) PB nr. C 295 van 11. 11. 1982, blz. 6.
